Eén van de eerste dossiers waar ik drie jaar geleden als beginnend lobbyist voor de Dierencoalitie mee te maken kreeg, was de dierwaardige veehouderij. Een meerderheid van linkse partijen in de Tweede Kamer, D66, Forum voor Democratie, JA21 en PVV had in 2021 een amendement van Leonie Vestering (Partij voor de Dieren) aan de Wet dieren toegevoegd, waarmee de intensieve veehouderij in één zin op losse schroeven was komen te staan. De wet verbiedt namelijk dieren zonder ‘redelijk doel’ pijn te doen. Het amendement-Vestering verduidelijkte dat onder een ‘redelijk doel’ in ieder geval niet mocht worden verstaan:
het kunnen houden van dieren in een bepaald houderijsysteem of een bepaalde wijze van huisvesting.
Maar dat ís de intensieve veehouderij. Eenden krijgen geen water om in te zwemmen. Plofkippen groeien zo snel dat ze binnen vijf tot zes weken kunnen bezwijken onder hun eigen gewicht. Kalveren krijgen ijzerarm voer zodat hun vlees ‘blank’ blijft, maar waardoor ze ook vaak ziek worden. Moedervarkens worden wekenlang voor en na hun bevalling tussen stalen stangen klemgezet om te voorkomen dat ze hun eigen biggen dooddrukken. (Wat zelden gebeurt, en nog minder vaak zou gebeuren als zeugen niet waren doorgefokt op het werpen van zo onnatuurlijk veel biggen en de moeder en haar biggen gewoon meer ruimte kregen.)
Het ministerie bedenkt een list
Op het ministerie van Landbouw had men onmiddellijk door dat Vestering een einde zou maken aan de intensieve veehouderij. ‘Veel houderijsystemen benadelen immers het welzijn en/of de gezondheid van dieren,’ schreef één ambtenaar.
In plaats van het amendement uit te voeren, bedachten zij een list. Een nota van wijziging moest het amendement vervangen door een nieuwe bepaling in de wet: dieren mochten niet meer ‘permanent de mogelijkheid’ worden onthouden om te voorzien in hun soorteigen gedragsbehoeften. De minister, toen nog Piet Adema (ChristenUnie), zou in lagere wetgeving, zonder tussenkomt van de Kamer, nog wel beslissen om welke gedragsbehoeften het ging.
Dat vertrouwden zelfs ChristenUnie en VVD, die tegen het amendement-Vestering hadden gestemd, niet. Tjeerd de Groot (D66) en Thom van Campen (VVD) vonden een middenweg. In 2040 moest de veehouderij voldoen aan de zes ‘leidende principes’ voor een dierwaardige veehouderij, zoals de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) die drie jaar eerder had geformuleerd: erkenning van de intrinsieke waarde van ieder dier, goede voeding, een goede omgeving, goede gezondheid, het kunnen vertonen van natuurlijk (soorteigen) gedrag, en positief welzijn. De Kamer vertrouwde de minister wel om in lagere wetgeving — een algemene maatregel van bestuur (AMvB) — uit te werken wat die zes principes concreet per diersoort zouden betekenen. Te beginnen met kippen, koeien en varkens.
De Partij voor de Dieren had er toen al een hard hoofd in. Zij stelden voor om de gedragsbehoeften van niet alleen kippen, runderen en varkens, maar ook eenden, konijnen, geiten en schapen in de wet op te nemen. Zoals die door de RDA, maar ook door het wetenschappelijke panel voor diergezondheid en dierenwelzijn van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, waren vastgesteld. Voor eenden onder meer zwemmen, voor kippen scharrelen, voor runderen grazen, en voor biggen en kalfjes zogen.
Dat vonden middenpartijen weer te spannend. Beter om de minister bij deskundigen te rade te laten gaan in welke gedragsbehoeften de veehouderij zou moeten voorzien.
Van goede wil?
Dan moet een minister wel van goede wil zijn, en vier maanden later werd die minister Femke Wiersma van de BBB. Ik schreef een jaar geleden in deze nieuwsbrief hoe zij de dierwaardige veehouderij uitholde door alles waar ook maar enige wetenschappelijke twijfel over bestond buiten de AMvB te houden en zelfs evidente gedragsbehoeften van dieren — zoals grazen door runderen en het zogen van pasgeboren biggen en kalveren bij hun moeder — met een beroep op te hoge kosten voor veehouders niet te verplichten.
Het kabinet-Schoof was alweer gevallen voordat de AMvB van Wiersma door de Tweede Kamer kon worden behandeld. In de tussentijd hadden organisaties zoals de Dierenbescherming, Dierencoalitie, Varkens in Nood, Wakker Dier en World Animal Protection bij elkaar honderden pagina’s inbreng geleverd in een internetconsultatie over de AMvB. Ook wetenschappers en toezichthouders lieten van zich horen. Volgens de wetenschappers werd met de AMvB van Wiersma het wettelijke doel van een dierwaardige veehouderij in 2040 niet gehaald. Het Adviescollege Toetsing Regeldruk en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit maakten zich zorgen over de toevoeging van ‘open normen’. Veehouders werden wel verplicht om in bepaalde gedragsbehoeften te voorzien, maar Wiersma beschreef niet hoe. Dat was bewust. ‘Doelvoorschriften’ zouden boeren ruimte geven voor ‘innovatie’. Maar doelvoorschriften zijn ook onmogelijk te handhaven. Zelfs de verplichtingen die Wiersma wél wilde opleggen, waren meestal dus een wassen neus. Volgens de NVWA zelfs twee op de drie bepalingen in de AMvB!
Met het aantreden van het kabinet-Jetten kwamen de architecten van de dierwaardige veehouderij in 2040 weer samen aan de macht: D66 en VVD. Met een D66’er, Jaimi van Essen, als minister van Landbouw en een VVD’er, Silvio Erkens, als staatssecretaris. Zo moest het toch goed komen, dacht ik. Pak alle reacties van de dierenwelzijnsorganisaties, de wetenschappers en de NVWA erbij, en je kunt zo een goede AMvB schrijven.
Geen dierwaardige veehouderij in 2040
Niet dus. De AMvB die het kabinet vrijdag naar de Tweede Kamer stuurde, is op onderdelen nog afgezwakt ten opzichte van de versie-Wiersma. De acht wetenschappers van de Wageningen Universiteit en Universiteit Utrecht die door het ministerie waren gevraagd om de AMvB ‘dierinhoudelijk’ te toetsen, zijn helder in hun eindoordeel:
Op basis van de huidige eisen in de AMvB kan worden geconcludeerd dat de veehouderij ook na 2040 niet als geheel dierwaardig zal zijn.
De collega’s van de Dierenbescherming vatten samen:
ondanks dat op een aantal punten de dieren er zeker op vooruit gaan wordt op belangrijke onderdelen, zoals een buitenloop, ons minimale niveau van 1 ster Beter Leven niet eens gehaald, laat staan het driesterrenniveau.
De helft van alle vleeskuikens in Nederland – zo’n 150 miljoen dieren – zijn ‘plofkippen’ die op leeftijd van zes weken al zo dik zijn geworden dat ze door hun eigen poten kunnen zakken. De AMvB verbiedt weliswaar het houden van vleeskuikens ‘die vanwege gefokte lichaamskenmerken niet in staat zijn zich op een natuurlijke manier voort te bewegen.’ Maar hier wordt niet, zoals de wetenschappers adviseerden, een maximale groeisnelheid aan verbonden.
Kippen leven van nature in kleine groepen en kunnen maximaal 30 tot 100 andere kippen onderscheiden. In de meeste stallen leven kippen met duizenden soortgenoten bij elkaar. Dat leidt tot veel stress, uitputting en soms agressie. Kippen hebben dus veel meer ruimte nodig. Van de AMvB krijgen ze 10 tot 12,5 procent meer oppervlakte per dier. Een overdekte uitloop of scharrelruimte wordt niet genoemd.
Bijna alle varkens in Nederland leven in dichte stallen in vrijwel kale betonnen hokken met hoogstens een bal of een ketting als ‘hokverrijking’. Uit verveling en wanhoop bijten deze varkens weleens in elkaar staarten. Om dat te voorkomen, branden varkenshouders preventief de staarten van vrijwel alle pasgeboren biggetjes af. Iets dat al sinds 1996 is verboden, maar sindsdien wordt gedoogd. Toch krijgen varkens nauwelijks meer ruimte in de stal, krijgen ze niet het recht om buiten te spelen en te wroeten, en blijft ‘couperen’ toegestaan als de boer bij 2 procent van de varkens in de stal staartbeschadigingen telt.
Moedervarkens worden ongeveer één week voor en tot vier weken na het werpen van hun biggen vastgezet tussen stalen stangen. De hoogste bestuursrechter in ons land, het College van Beroep voor het bedrijfsleven, oordeelde in 2024 dat het opsluiten van zeugen in deze kraamkooien voor meer dan enkele dagen niet gerechtvaardigd is onder de huidige wet. De AMvB verkort de maximaal toegestane fixatie van zeugen tot zeven dagen, waardoor het nestbouwgedrag, het werpproces en het maternale gedrag van moedervarkens nog steeds wordt verstoord. Pas vanaf 2030 wordt nieuwbouw van kraamkooien verboden. In de versie-Wiersma was dat nog 2027. Bestaande kraamkooien mogen tot 2040 worden gebruikt.
Zo’n 70 procent van de kalveren in Nederland wordt vetgemest in dichte stallen zonder ooit buiten te komen. Deze ongezonde leefomgeving, hun ijzerarme dieet en de stress van het samen in hokken worden geplaatst met onbekende soortgenoten afkomstig van boerderijen in binnen- en buitenland leidt tot afwijkend gedrag en ziektes. Zo krijgt de helft van de kalveren in Nederland een borstvlies- of longontsteking. Wat veehouders verhelpen door op grote schaal antibiotica toe te dienen. Toch worden zij niet verplicht om kalveren bij de koe te laten zogen, blijven harde roostervloeren tot 2040 toegestaan, krijgen kalveren geen recht op weidegang en wordt de norm voor bloedarmoede slechts opgehoogd van het niveau ‘zonder meer ziekmakend’ naar ‘risicovol’.
De invoering van zelfs de beperkte hervormingen die de AMvB voorschrijft is ook nog eens onzeker, omdat er geen jaartallen bij staan. Die bepalingen zouden op een nader te bepalen moment bij koninklijk besluit in werking moeten treden. Daarmee geeft ook Erkens geen zekerheid dat een dierwaardige veehouderij in 2040 wordt gerealiseerd.
Het zesde principe van de RDA, gericht op een zekere handelingsvrijheid en controle door het dier (agency), en het ervaren van positief welzijn, ontbreekt in de AMvB volledig.
Dit is niet wat Nederland wil
97 procent van de Nederlanders vindt het belangrijk dat dieren in de veehouderij leven in een omgeving die voorziet in hun basisbehoeften. Volgens 97 procent betekent dat in ieder geval genoeg ruimte om rond te lopen, te liggen en te staan. Die ruimte en vrijheid krijgen kalveren, kippen en moedervarkens niet.
89 procent van de Nederlanders vindt dat kippen meer dan de grootte van een A4’tje leefruimte in de stal moeten krijgen. Ook dat krijgen ze niet.
81 procent vindt dat er een einde moet worden gemaakt aan lichamelijke ingrepen zoals het afbranden van de hoorns van kalveren. Onthoornen wordt weliswaar verboden, maar boeren mogen nog wel op hoornloosheid — nu een zeldzaamheid — doorfokken, waardoor de meeste runderen in Nederland binnen een generatie of twee zonder hoorns zullen worden geboren. Hoorns zijn echter functioneel om bijvoorbeeld ongewenst gedrag van hokgenoten af te schrikken en de lichaamstemperatuur te reguleren op warme dagen.
80 procent wil dat het verboden wordt om koeien permanent op stal te houden zonder toegang tot de wei. Zo’n verbod komt er niet.
78 procent wil een verbod op individuele kooihuisvesting van kalveren en 69 procent vindt dat alle kooien moeten worden verboden. De eerste twee weken van hun leven mogen kalveren echter nog steeds alleen in kooien worden opgesloten.
74 procent vindt dat dieren in de veehouderij iedere dag naar buiten moeten kunnen. Die keuzevrijheid krijgt geen enkel dier.
68 procent vindt niet dat kalfjes vlak na hun geboorte bij de koe weggehaald mogen worden. Dat is — en blijft — echter de praktijk.
Ik ken weinig andere onderwerpen waarover de mensen zo eensgezind zijn als het dierenwelzijn in de veehouderij. Vier op de vijf Nederlanders willen een dierwaardige veehouderij. Het parlement wil een dierwaardige veehouderij. De wetenschap pleit voor een dierwaardige veehouderij. De toezichthouder pleit voor een dierwaardige veehouderij. Ook de milieuorganisaties zijn voor, want een dierwaardige veehouderij zou de klimaat- en natuuropgaven in de landbouw veel haalbaarder maken. Maar de landbouw en het ministerie van Landbouw willen het niet, dus gebeurt het niet.
Een dierwaardige veehouderij kan wél. Lees en bekijk het op Dierwaardig Nu, een gezamenlijk initiatief van Caring Farmers, Caring Vets, de Dierenbescherming en organisaties van de Dierencoalitie.


