Nederlandse kalverhouderij is nog verre van dierwaardig
Nieuw onderzoek laat zien hoe het wél kan.
De Nederlandse kalvermesterij is nog verre van dierwaardig. Pasgeboren kalveren worden bij hun moeder weggehaald en groeien op in meestal dichte stallen vol soortgenoten afkomstig van verschillende boerderijen. Ziektes slaan binnen de stalmuren snel om zich heen. Zo krijgt de helft van de kalveren in Nederland een borstvlies- of longontsteking. Na 6 tot 12 maanden worden de dieren geslacht.
Zo’n 70 procent van de kalveren uit de zuivelindustrie geldt als restproduct: de stiertjes, maar ook overtollige koeien. Daarnaast importeert Nederland kalveren, vorig jaar 675.000. In 2024 werden in ons land 1,5 miljoen kalveren geslacht. Een klein deel van het kalfsvlees is bestemd voor de Nederlandse markt; meer dan 90 procent wordt geëxporteerd. Wij importeren juist weer bijna 40 procent van het rundvlees dat we eten.
Nieuw onderzoek door Schuttelaar & Partners, uitgevoerd in opdracht van de Dierencoalitie (mijn werkgever), bevestigt dat de tekortkomingen van de sector in dierenwelzijn, diergezondheid en milieu inherent zijn aan de manier waarop wij kalveren houden. Het rapport toetst gangbare en alternatieve praktijken aan de wettelijk verankerde welzijnsprincipes van de Raad voor Dierenaangelegenheden en aan de adviezen van de Europese voedselautoriteit EFSA aan de Europese Commissie en lidstaten. De conclusie: essentiële gedragsbehoeften van kalveren — zoals moederzorg, sociaal contact, bewegingsvrijheid en spel — worden stelselmatig onthouden. Ziekten en verhoogde sterfte zijn geen incidenten, maar kenmerken van het systeem. De economische voordelen voor Nederland zijn beperkt.
Door productie te verschuiven van kalfsvlees naar jong rundvlees, zou ons land minder afhankelijk worden van het buitenland, concludeert Schuttelaar. Ook zou zo’n verschuiving de biologische sector de mogelijkheid geven om hun ‘overtallige’ kalveren beter te verwaarden. Nu worden vrijwel al deze kalveren afgemest in gangbare kalverhouderijen, waardoor de dieren hun biologische status verliezen. De ketenpartijen waar Schuttelaar mee sprak, verwachten dat de binnenlandse vraag naar zuivel van ‘kalf bij de koe’ en rundvlees van eigen bodem de komende jaren verder zullen toenemen.
Tweede Kamer wil minder import
Het transport van kalveren over lange afstanden gaat gepaard met veel dierenleed, zo bevestigde onderzoek van onder meer Eyes on Animals, één van de organisaties in de Dierencoalitie, eind 2024 nog eens. De Ierse publieke omroep berichtte destijds over hun bevindingen.
In de Nederlandse politiek leeft al langer de wens om langeafstandstransporten van met name jonge dieren te verminderen.
In 2022 steunde de Tweede Kamer een motie van de Partij voor de Dieren om te onderzoeken of de minimale transportleeftijd voor kalveren kon worden verhoogd. In 2024 steunden bijna alle partijen een motie van Harm Holman (NSC) en Thom van Campen (VVD) om een ‘forse daling’ in het aantal diertransporten te realiseren, ook om het risico op ziekteverspreiding te verkleinen.
Nederland kan binnen de Europese markt diertransporten niet zomaar aan banden leggen. Maar wél om ziekteverspreiding tegen te gaan. Samen met Eline Vedder (CDA) diende Holman twee aanvullende moties in om te pleiten voor een zogenoemde EU-vrijstatus voor de koeiengriep (IBR) en een diarreevirus (BVD). Ook daar waren meerderheden vóór. Inmiddels demissionair minister van Landbouw Femke Wiersma (BBB) bereidde voor beide ziektes een nationaal bestrijdingsprogramma voor. Zodra die door de Europese Commissie zijn goedgekeurd, kan Nederland kalveren weigeren uit landen die niet óf een vergelijkbaar bestrijdingsprogramma hebben óf ziektevrij zijn. Voor de koeiengriep zijn dat bijvoorbeeld (alleen) België, Denemarken, Duitsland, Luxemburg en Tsjechië.
Invoering van kalverrechten
Om te voorkomen dat uit die landen, in plaats van bijvoorbeeld Ierland, vervolgens meer kalveren worden geïmporteerd, kan de overheid de omvang van de sector reguleren met productierechten. Die bestaan al in de melkveehouderij (gekoppeld aan een landelijk emissieplafond voor fosfaat) en de pluimvee- en varkenssectoren (gekoppeld aan een landelijk emissieplafond voor ammoniak).
In 2024 steunde een ruime meerderheid van partijen in de Tweede Kamer een motie van Tjeerd de Groot (D66) en Pieter Grinwis (CU) die de regering verzocht om bij de inrichting van de kalverhouderij te koersen op de omvang van de Nederlandse melkveehouderij.
Eind vorig jaar steunde de Tweede Kamer een motie van Laura Bromet (GL-PvdA) om ook in de kalverhouderij productierechten in te voeren. CDA en VVD stemden voor. Beide partijen noemden kalverrechten in hun verkiezingsprogramma’s, en het voorstel komt terug in het coalitieakkoord. Het standpunt van de VVD:
De omvang van de melkveehouderij wordt de maatstaf voor de kalverhouderij.
Het aantal beschikbare kalverrechten zou zo gekoppeld worden aan het aantal koeien. Gemiddeld krijgen koeien één kalf per jaar.
Daarmee wordt het niet onmogelijk om kalveren vlak over de grens tussen bijvoorbeeld Nederland en Duitsland te transporteren, maar import en export zouden wel in evenwicht worden gebracht.
Het coalitieakkoord geeft verder prioriteit aan stikstofreductie in de omgeving van de meest kwetsbare Natura 2000-gebieden. Hier ligt een koppelkans, want veel kalveren worden gehouden in gemeenten die grenzen aan de Veluwe. De provincie Gelderland als geheel huisvest ongeveer de helft van alle vleeskalveren in Nederland.
Transitie
Een kleinere sector verbetert nog niet automatisch de leefomstandigheden van de kalveren die in Nederland overblijven.
In 2021 gaf toenmalig minister van Landbouw Carola Schouten (CU) onder meer Schuttelaar & Partners de opdracht om scenario’s uit te werken voor de toekomst van de kalverhouderij. De minister schreef destijds aan de Tweede Kamer dat alle scenario’s een ‘fundamentele’ verandering vroegen in de manier waarop de melkvee- en vleeskalversector in Nederland zijn georganiseerd:
Dit vraagt om een transitie van een systeem, dat kost tijd.
Vijf jaar later blijkt uit nieuw onderzoek door Schuttelaar & Partners dat die nodige transitie is uitgebleven.
Principes voor dierwaardigheid
Als minister vroeg Schouten ook de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) — dat zijn wetenschappers, maar ook dierenartsen, dierenbeschermers, bestuurders van dierentuinen, landbouw- en natuurorganisaties, juristen en veehouders — om advies over een veehouderij waarin niet alleen het ergste dierenleed wordt vermeden, maar waarin dieren een positieve staat van welzijn kunnen ervaren. De RDA formuleerde daar in 2021 zes leidende principes voor: erkenning van de intrinsieke waarde en integriteit van ieder dier, goede voeding, een goede omgeving, een goede gezondheid, voldoende mogelijkheden om natuurlijk (soorteigen) gedrag te kunnen vertonen, en het kunnen ervaren van een overwegend positieve emotionele toestand.
Deze principes werden drie jaar later met een amendement van De Groot (D66) en Van Campen (VVD) aan de Wet dieren toegevoegd. Uiterlijk in 2040 moet de hele Nederlandse veehouderij ‘dierwaardig’ zijn.
De minister van Landbouw kreeg de opdracht om de zes principes nader uit te werken in ontwerpeisen voor nieuwe stallen en houderijsystemen. Tegelijkertijd onderhandelden koepelorganisaties van boeren, slachthuizen, de zuivelindustrie en supermarkten met de Dierenbescherming en het ministerie over een convenant om afspraken te maken over de opschaling en afzetmarkt van een dierwaardige veehouderij.
Het convenant kwam er. Maar de ontwerpeisen die Femke Wiersma (BBB) als minister uitwerkte, waren zo minimaal dat een meerderheid van partijen in de Tweede Kamer er voor koos om het dossier ‘controversieel’ te verklaren. Oftewel: het werd over de verkiezingen en kabinetsformatie heen getild.
Ik heb eerder een nieuwsbrief geschreven over de tekortkomingen in de voorstellen van Wiersma. Een voorbeeld is kalf bij de koe. We weten uit de wetenschap en praktijkervaringen van dierwaardige veehouders dat koeien hun kalf moederzorg willen geven en dat kalveren bij hun moeder willen zogen. Dat ligt natuurlijk ook voor de hand, het zijn zoogdieren. Maar omdat er nog discussie is over de ‘optimale scheidingsleeftijd’ en ‘de manier waarop koe en kalf het beste gescheiden kunnen worden,’ wilde Wiersma hier geen regels voor opstellen.
Koeien hebben een sterke behoefte om te grazen. Onderzoek in Canada heeft zelfs laten zien dat de motivatie voor weidegang bij Holstein-melkkoeien even sterk is als de motivatie om de eten. Bijkomend voordeel van weidegang is dat koeien die vers gras eten minder methaan uitstoten. Ook komen urine en mest in de wei minder samen, waardoor er minder ammoniak vormt. Toch wilde Wiersma ook weidegang niet verplichten in het kader van een dierwaardige veehouderij. ‘Stimulering in een gebiedsgerichte aanpak’ zou daar beter bij passen.
Twee scenario’s
In hun rapport toets Schuttelaar de gangbare kalverhouderij aan de zes principes van de RDA. Daaruit blijkt dat essentiële gedragsbehoeften van koeien en kalveren, zoals maternaal- en zooggedrag, spel en het ontwikkelen en onderhouden van sociale banden, stelselmatig worden onthouden.
Schuttelaar stelt twee scenario’s voor die wel, of deels, aan de RDA-principes voldoen. Daarbij maken ze ook gebruik van de soort-specifieke aanbevelingen van de Universiteit Utrecht voor een dierwaardige veehouderij uit 2022 en een groot onderzoek van de Europese voedselautoriteit EFSA naar het welzijn van kalveren uit 2023.
Het ideale scenario is wat mij betreft volledige integratie van melkvee- en kalverhouderij. Runderen zijn sociale dieren, onderhouden sociale banden en vertonen sociale voorkeuren. Kalveren ontwikkelen volgens de deskundigen van de EFSA al in de eerste weken van hun leven sociale, preferentiële relaties. Familiebanden blijven volgens de wetenschappers van de Universiteit Utrecht jarenlang bestaan. Het beste scenario voor de dieren is dus dat kalveren zogen bij hun moeder en opgroeien in een kudde die varieert in leeftijd en sekse. Alle dieren hebben toegang tot weidegang. Dat geeft kalveren ook meer gelegenheid om te kunnen spelen.
In een minder vergaand scenario zouden kalveren minimaal drie maanden op de melkveehouderij blijven. In die tijd krijgen ze moederzorg, wat zowel hun gezondheid als sociale ontwikkeling ten goede komt. Dat zoveel kalveren in Nederland ziek worden, heeft er ook mee te maken dat ze in de eerste weken van hun leven kunst- in plaats van moedermelk krijgen. Kalveren zouden in dit scenario alleen nog naar kalvermesterijen in de buurt mogen worden vervoerd om transporttijden zo kort mogelijk te houden. Waar ze vervolgens in stabiele groepen moeten worden gehouden en toegang hebben tot weidegang om te kunnen grazen en spelen.
Het kan wél
De scenario’s zijn niet alleen gebaseerd op wetenschappelijke kennis, maar ook op praktijkervaringen. Er zijn namelijk al boeren die het zo doen.
Durk Oosterhof, één van de boeren die melk levert aan Kalverliefde, vertelt de Dierencoalitie:
Kalveren die bij hun moeder mogen blijven, zijn robuust en vitaal en ontwikkelen zich tot socialere dieren in de kudde.
John Arink, melkveehouder van Ekoboerderij Arink, bevestigt:
Laat een dier gewoon dier zijn, dan krijg je vanzelf een systeem dat klopt. Wie ziet hoe kalveren bij de koe opgroeien, begrijpt hoe hard het gangbare systeem daartegenin gaat.
De nieuwe minister van Landbouw krijgt een nieuwe kans om de transitie nu echt in gang te zetten. D66, VVD en CDA hebben afgesproken dat de regels voor een dierwaardige veehouderij ‘rond de zomer’ klaar moeten zijn.
Klik hier om het rapport van Schuttelaar & Partners te lezen.


