Liberaal Groen en het Liberaal Manifest
Hoe we mee hebben gedaan, en wat ik er zelf het meest van heb opgestoken.

De VVD heeft een nieuw Liberaal Manifest. Daarin worden de (tijdloze) beginselen en kernwaarden van de partij vertaald naar de uitdagingen van onze tijd.
Het vorige manifest stamde alweer uit 2005. De aanleiding tot vernieuwing was de coalitie die de VVD in 2024 aanging met BBB, NSC en PVV. Niet alle leden waren hier, zwak gezegd, heel blij mee. Los van elkaar zochten twee groepen — één van oudgedienden, één van actieve vrijwilligers en politici uit verschillende regio’s, stromingen en vleugels van de partij — naar een manier om de discussie over de vorm te kanaliseren richting de inhoud. Die zoektocht leidde na enkele maanden tot één breedgedragen voorstel van onderop om het Liberaal Manifest weer eens onder handen te nemen, waar het hoofdbestuur hun zegen aan gaf. Veel van de initiatiefnemers belandden in de kern- of klankbordgroep van het nieuwe manifest. Zo zijn VVD’ers dan ook: als je een goed idee hebt en de kans krijgt, moet je het wel (zelf) gaan doen.
Dus is de afgelopen twee jaar in de partij gesproken en gediscussieerd over hoe we onze vrijheid beschermen in een onveiligere wereld, over of en hoe we echt eerlijke en gelijkwaardige kansen bieden voor ontplooiing, de balans tussen vrije keuze en vrijheid van ondernemerschap enerzijds en een gedeelde verantwoordelijkheid voor ons zorgstelsel en onze leefomgeving anderzijds. En nog veel meer.
Het sluitstuk was de 163e Algemene Vergadering van de VVD in Den Haag op 10 juni, waar over slechts één amendement op het nieuwe manifest werd gestemd. Er waren 153 amendementen ingediend, waarvan 26 door mijn netwerk, Liberaal Groen. Die werden daags voor het congres in digitale deelsessies besproken. Over de meeste amendementen kon toen al overeenstemming worden bereikt of in de laatste paar dagen voor het congres alsnog een compromis worden gevonden.
Aan het verschijnen van de conceptversie gingen weer tal van schrijfsels en bijeenkomsten, digitaal en in het land, vooraf. Voor niet-leden zal de totstandkoming van dit manifest zich goeddeels aan het zicht hebben onttrokken. (Hoewel alle bijeenkomsten, zoals gebruikelijk in de VVD, voor media toegankelijk waren.) Laat de ene stemming op 10 juni niet de indruk wekken dat het manifest in klein comité in een achterkamer is geschreven. Ik neem jullie graag mee in de rol die Liberaal Groen heeft gespeeld.
Kern- en klankbordgroep
In het najaar van 2024 vormde het hoofdbestuur een kerngroep onder leiding van Nanning Mol, toen burgemeester van Laren, inmiddels van Dordrecht, en Simone Richardson, oud-Tweede Kamerlid en toen tijdelijk directeur van de TeldersStichting. Deze groep gaf leiding aan het proces en schreef de concept- en eindversie van het manifest. Oud-senator Caspar van den Berg, voormalig Europarlementslid Liesje Schreinemacher en voorzitter Iwein Borm van het thematisch netwerk Financiën, inmiddels van het netwerk Economische Zaken, zaten er ook bij. Alle namen vindt je op de website van de VVD.
Daarnaast werd een klankbordgroep in het leven geroepen met VVD’ers uit verschillende gremia en stromingen om actief mee te lezen en feedback te geven. Daniel Koerhuis, voormalig Tweede Kamerlid, en Paul Slettenhaar, toen wethouder in Castricum, inmiddels in Amstelveen, van Klassiek Liberaal bijvoorbeeld. Mauk Bresser, oud-voorzitter van de JOVD. Pim van Strien, oud-Kamerlid en één van de initiatiefnemers van de Liberale VVD-petitie. Ingrid Michon en Daan de Kort vertegenwoordigden de huidige Tweede Kamerfractie.
De kerngroep organiseerde bijeenkomsten in het land om principiële keuzes en dilemma’s met leden te bespreken. De thematische netwerken werden uitgenodigd om op hun thema’s inbreng en inspraak te organiseren.
Liberaal Groen deed energie
Liberaal Groen kreeg energie. Wij kozen voor dezelfde formule als bij onze inbreng op het verkiezingsprogramma. De specialisten in ons Team Energie schreven samen met bestuursleden van het netwerk Economische Zaken een conceptversie. Hier organiseerden we een digitale expertsessie over met zo’n 40 leden, ook van de kerngroep, om de tekst en onze voorstellen te bespreken. Daarnaast konden leden hun feedback en ideeën naar Liberaal Groen mailen. Aan de hand van deze input werd de eindversie geschreven, die vervolgens bij de kerngroep werd ingebracht.
Daarin gaven wij de volgende liberale grondslagen voor een efficiënt klimaat- en energiebeleid mee:
Een klimaatvriendelijk, betaalbaar en robuust energiesysteem met netto-nul emissies van broeikasgassen in 2050.
Subsidieer vooral doorbraakinnovaties om fossielvrij de goedkoopste keuze te maken.
Dit was één van de voornaamste discussiepunten. Spreid je het (belasting)geld en daarmee het risico, met waarschijnlijk meer incrementele verbeteringen als uitkomst? Of neem je meer risico door minder innovaties meer geld te geven die — als ze succesvol zijn — écht zoden aan de dijk kunnen zetten? Maar ook een verkeerde gok kunnen blijken te zijn.
Technologieneutraal. Warmtenet of warmtepomp? Kernenergie? Koolstofafvang? Voor ons telt het resultaat.
Deze lijn volgt Liberaal Groen ook in andere sectoren. Team Voedsel, waar ik zelf leiding aan geef, is bijvoorbeeld vóór biologische en natuurinclusieve — doorgaans extensieve — landbouw, maar ook voor — intensieve — biotechnologie en klimaatneutrale glastuinbouw.
Geef ruimte aan de gebruiker en de markt. De overheid moet de kaders stellen, en die consequent handhaven, maar is bij voorkeur niet de uitvoerder, financier of eigenaar.
Hierbij zit de ene groene liberaal misschien minder streng in de leer dan de andere, maar het is voor ons allemaal wel het uitgangspunt en streven.
In de wachtstand
Dat was in april 2025. Nog geen twee maanden later verliet de PVV de regering en werd het manifest in de wacht gezet. Er moest eerst een nieuw verkiezingsprogramma worden geschreven en campagne worden gevoerd. (Waarbij de inbreng van ons Team Energie voor het verkiezingsprogramma overigens wel meteen een kans bood om bovengenoemde grondslagen door te verlaten naar concretere aanbevelingen voor beleid in de aankomende kabinetsperiode.)
In de winter van 2025 kon het het manifest verder. Aan de kerngroep de schone taak om honderden pagina’s aantekeningen en inbreng — van landelijke bijeenkomsten, vanuit de thematische netwerken en ingestuurd door individuele leden — te verwerken in een beknopt document van nog geen 30 pagina’s. De gemiddelde VVD’er zit namelijk niet te wachten op ellenlange beschouwingen. Die heeft maandagavond weer een bestuursvergadering van het thematisch netwerk of fractieberaad, woensdagavond gemeenteraad of statenvergadering, donderdagavond vergadering van het waterschap, minstens twee keer per jaar een Algemene Ledenvergadering van het lokale netwerk, minstens twee keer per jaar een Algemene Ledenvergadering van de regio, twee keer per jaar een Algemene Vergadering van de partij, vast ook nog een nieuwe ledendag, een politiek café, een werkbezoek of twee, een zomerbarbecue en een cursus of training bij de Haya van Somerenstichting — en tussendoor een baan of een bedrijf en een gezin. Om het manifest voor hen nuttig te maken, mocht het geen boekwerk worden.
Belangrijke standpunten in de conceptversie
In mei verscheen de conceptversie. Daarin herkenden wij een aantal standpunten van Liberaal Groen. Zoals de uitdagingen van klimaatverandering ombuigen naar kansen voor ‘groene groei’. Het stimuleren van duurzame innovaties. En verantwoordelijkheid nemen om Nederland schoner door te geven aan de volgende generatie.
We misten ook één en ander. Lokale, regionale en thematische netwerken kregen, net als bij het verkiezingsprogramma, gelukkig nog de kans om amendementen in te dienen. Leden konden bij Liberaal Groen voorstellen doen. Ook schreven onze bestuursleden en vier specialistische teams amendementen. In een digitale ledenbijeenkomst bespraken we 27 suggesties. Enkele amendementen werden toen nog aangepast. Eén amendement was door het bestuur ontraden. Liberaal Groen diende uiteindelijk 26 amendementen in.
Tien amendementen werden door de kerngroep letterlijk overgenomen. Van nog eens 11 amendementen werd de ‘strekking’ overgenomen, maar in andere woorden. Soms omdat meerdere netwerken op dezelfde regel een amendement hadden ingediend. Dan wist de kerngroep meestal een tekstvoorstel te bedenken waar alle indieners zich in konden vinden.
Een klein aantal van onze amendementen werd ontraden. Soms op inhoudelijke, soms op tekstuele gronden. Een paar trokken we in. Je kunt immers niet alles hebben. Een paar vonden we belangrijk genoeg om door te zetten. Uiteindelijk kunnen indieners een amendement altijd op de Algemene Vergadering in stemming brengen.
Normeren en beprijzen
Eén was het normeren en beprijzen van vervuiling. Om de transitie naar een schone economie te maken, is het niet genoeg om duurzame innovaties en ondernemerschap te stimuleren. De overheid moet ook voorkomen dat bedrijven hun milieuschade kunnen afwentelen op anderen. Anders blijven we duurzame nieuwkomers tot in de eindigheid ‘stimuleren’ om het speelveld gelijk te trekken.
Liberaal Groen heeft daarbij een voorkeur voor heldere normen, bijvoorbeeld over afvallozing of uitstoot, en beprijzing.
Normen kunnen nodig zijn om de ergste schade en risico’s af te wenden. Normen zijn voor ondernemers soms ook werkbaarder dan andere instrumenten, zoals subsidies of beprijzing die respectievelijk papierwerk en rapportage met zich meebrengen. Maar als bedrijven in Nederland moeite hebben om aan een norm te voldoen, en andere landen soepeler zijn, kan het er ook toe leiden dat bedrijvigheid, werkgelegenheid én vervuiling zich verplaatsen. Dan lopen wij welvaart mis, wentelen we schade af op meestal armere landen, en in het geval van broeikasgasemissies schiet het klimaat er niets mee op.
Door vervuiling een prijs te geven, wenden we de markt aan om te verduurzamen en wordt vergroening vanzelf lonend. Zo voorkomen we ook dat de overheid winnaars en verliezers kiest door (alleen maar) te subsidiëren. Ervaringen met staatssteun uit het verleden leren immers dat de overheid niet altijd de beste keuzes maakt. Dus willen we daar niet té afhankelijk van zijn.
Het Europese emissiehandelssysteem is een goed voorbeeld. Sinds de invoering in 2005 is de uitstoot van broeikasgassen van verbruikers in het systeem met circa 50 procent gedaald. De aanschaf en installatie van techniek om bijvoorbeeld emissies af te vangen en recyclen wordt steeds lonender. Door jaarlijks uitstootrechten uit de markt te nemen, stijgt de prijs — met enige voorspelbaarheid — wat een prikkel geeft om snel te verduurzamen. Grote bedrijven en fabrieken, die langer de tijd nodig hebben om van fossiel over te stappen op elektrisch of groen gas of waterstof, kunnen hun investeringen en plannen afstemmen op de zekerheid dat er in 2050 helemaal geen emissierechten meer zullen zijn.
‘Normeren en beprijzen’ was voor Liberaal Groen dus een nodige toevoeging. Dat leverde discussie op. Omdat het zoet makkelijker te verkopen is dan het zuur. Maar ook omdat niet iedereen de keuze gepast vond voor een manifest. Wij vonden ‘normeren en beprijzen’ nog best abstract, anderen vonden het te concreet. Het manifest noemde toch ook ‘subsidies’ niet, maar algemener het ‘stimuleren’ van verduurzaming? Dat kunnen ook garantstellingen zijn, of een overheid die optreedt als launching customer van innovaties.
Uitkomst: we geven normering en beprijzing als ‘voorbeelden’ van beleid. Voor Liberaal Groen een prima compromis.
Bodem en water sturend
Ook de landbouwparagraaf lokte discussie uit. Omwille van de schaarse ruimte in Nederland, stelde het manifest voor dat de landbouw moest inschikken voor woningbouw en nieuwe industrie. Dat vonden de collega’s in het thematisch netwerk Landbouw, Natuur en Visserij geen mooie tekst.
Een amendement van Liberaal Groen bood uitkomst. Door toe te voegen dat de Nederlandse land- en tuinbouw uitblinkt in innovaties in bio- en gentechnologie waarmee op minder land, maar ook met minder grondstoffen, meer voedsel kan worden geproduceerd. Land dat vrijkomt voor woningbouw en nieuwe industrie, maar ook extensivering en — voor Liberaal Groen belangrijk — klimaatadaptatie.
Een tweede amendement, dat in de eindversie net iets anders is verwoord, voegde toe dat we kiezen voor een ruimtelijke inrichting met een brede toegevoegde waarde, oftewel: kies wanneer de ruimte schaars is voor dié bedrijven en sectoren die de meeste groei en welvaart, maar ook welzijn, leveren.
Een moeilijker vraagstuk bleek onze wens om ‘bodem en water sturend’ als tweede principe voor ruimte keuzes op te tekenen. Als minister van Infrastructuur en Waterstaat maakte Mark Harbers (VVD) in 2022 deze keuze. In het verkiezingsprogramma van 2025 werd dit afgezwakt naar ‘rekening houden met’ de kwaliteit van de bodem en beschikbaarheid van water. Ook toen diende Liberaal Groen een amendement in om hier weer ‘sturend’ van te maken. Toen verloren we de stemming op het congres. Deze keer kwamen we verder in goed overleg.
‘Sturend’ is niet ‘doorslaggevend,’ maar ook niet zonder gevolgen. Wij willen bijvoorbeeld geen huizen meer bouwen in gebieden die kwetsbaar zijn geworden, of kwetsbaar gaan worden, voor overstroming. Dat komt VVD-wethouders in laaggelegen gemeenten met woningnood slecht uit. Wij willen het grondwaterpeil in veenweiden verhogen om veenoxidatie, en daarmee de natuurlijke uitstoot van koolstofdioxide, tegen te gaan. Veenoxidatie veroorzaakt nu 2 tot 3 procent van de Nederlandse CO₂-uitstoot. Een hoger waterpeil kan de grond wel te zompig maken voor koeien.
Bodem en water ‘sturend’ — zonder bovengenoemde toelichting, want als we overal het ‘waarom’ maar ook de mitsen en maren bij zouden opschrijven, raakten die 30 pagina’s snel uit zicht — bleef elders wrevel geven. Terwijl voor Liberaal Groen elk ander werkwoord dat ons in overweging werd gegeven, las als een afzwakking van rijksbeleid.
Over 25 van onze 26 amendementen waren we het, met geven en nemen door Liberaal Groen, de schrijfgroep van het manifest en eventuele indieners van tegengestelde amendementen, inmiddels eens. ‘Bodem en water sturend’ bleek onze enige halszaak en moest dan maar door naar het congres. Tot de kerngroep een laatste ingeving had: wat als we ‘bodem en water sturend’ noemen als ‘richtinggevend principe’?
Voor ons niet veel minder dan een beschrijving van wat ‘bodem en water sturend’ ís, voor anderen net de context die zij nodig hadden om er ook een klap op te geven. Aldus besloten.
Pais en vree
Is alles nu weer pais en vree in de VVD? Ik hoop het niet! Liberalen zijn eigenwijs, en dat maakt de partij zo leuk en zo sterk. We hebben dan wel één verhaal voor de komende twintig jaar, maar daarmee zijn leden die bijvoorbeeld twijfelden of ‘normeren en beprijzen’ wel de beste manier is om vervuiling tegen te gaan natuurlijk niet ineens overtuigd.
De VVD zit vol meningen, netwerken, richtingen en stromingen. Dat is voor de partijleiding en fracties weleens lastig, en wordt in de media nogal eens platgeslagen tot ‘de linker- versus rechtervleugel’. Maar het is vooral een kracht. Stel je voor dat we over alles precies hetzelfde dachten; dan kom je als partij nooit tot nieuwe inzichten.
Een voordeel van gedeelde politieke betrokkenheid is dat we allemaal snappen dat bijna niets zo simpel is als het lijkt en dat er zelden makkelijke oplossingen zijn voor moeilijke problemen. Een tweede van de VVD in het bijzonder is dat onze partij vaak mee mag regeren en besturen — landelijk, provinciaal, in waterschappen en gemeenten. Geen coalitie is voor ons ‘nu of nooit’. Wat deze keer niet lukt, proberen we over vier jaar weer.
Dat maakt ook dat we onderling meningsverschillen zelden op het spits drijven. Soms door er uren- of zelfs jarenlang over te praten. (Zo ben ik na vele gesprekken met collega’s in het landbouwnetwerk toch wel anders gaan denken over het Nederlandse natuurbeleid.) Soms door elkaar wat te gunnen en een beetje uit te ruilen. Soms door een handige formulering te vinden, waarmee de discussie niet is beslecht maar de angel er voorlopig toch uit is gehaald. We hoeven en gaan elkaar niet altijd overtuigen, maar we moeten wel weer samen verder.
Misschien bindt dat VVD’ers uiteindelijk wel meer dan partijbeginselen of liberale kernwaarden of een manifest. Voor deze VVD’er was dat besef in ieder geval een grote winst van de afgelopen twee jaar. Liever samen resultaat boeken op die 80 procent waarover we het (nu) eens zijn dan tot de laatste snik door debatteren over enkele meningsverschillen.
Al is het maar omdat je dan geheid wordt ingehaald door een partij die hun ogen wel op de bal houdt.

