
Dierenwelzijn dreigt de sluitpost te worden van de landbouwtransitie. Die waarschuwing gaf Lisanne Stadig, programmamanager veehouderij bij de Dierenbescherming, Tweede Kamerleden woensdag mee. ‘Het verhogen van het dierenwelzijn in Nederland zou tegelijkertijd ook een geweldige kans zijn om klimaat-, water- en stikstofdoelen te halen,’ vulde Hanneke van Ormondt van Caring Farmers aan.
Samen met Natuur & Milieu, Natuurmonumenten en de Vogelbescherming schreven de Dierenbescherming en Caring Farmers drie jaar geleden een plan voor een integraal duurzame landbouwtransitie die én voor de dieren én voor de boeren én voor het milieu beter zou zijn. Ik schreef hier in april nog een nieuwsbrief over.
Drie kabinetten op rij hebben die koppelkansen niet aangegrepen. De vorige minister van Landbouw, Femke Wiersma (BBB), onderwierp het dierenwelzijn in de veehouderij tot ‘de gestelde kaders voor natuur, milieu, lucht, water en bodem.’ De huidige minister en staatssecretaris, Jaimi van Essen (D66) en Silvo Erkens (VVD), draaien die prioritering niet terug. Zij trekken wel veel meer geld uit om de intensieve veehouderij af te schalen. Voor emissiereductie, extensivering, mestbeleid en vrijwillige bedrijfsbeëindiging staat volgend jaar ruim 850 miljoen euro op de begroting. Voor het opschalen van biologische en dierwaardige landbouw komt maar 27 miljoen euro vrij.
Geen systeemverandering
Stadig en Van Ormondt namen woensdag, samen met Dirk-Jan Verdonk van de Dierencoalitie — waar ik voor werk — Frederieke Schouten van Dier&Recht en Sandra Beuving namens Eyes on Animals, deel aan een rondetafelgesprek in de Tweede Kamer over de dierwaardige veehouderij.
Ook wetenschappers kwamen aan het woord. Zij waren het erover eens dat van een wezenlijk dierwaardige veehouderij nog steeds geen sprake zal zijn. ‘Niet alle gedragsbehoeften krijgen een plek of worden geheel vervuld’ in de plannen van het kabinet, zei Fleur Hoogweg van Wageningen University & Research. ‘Hier wordt alleen een ondergrens geschetst,’ vulde Saskia Arndt van de Universiteit Utrecht aan. Kuikens krijgen nog steeds geen moederzorg. Varkens krijgen nog steeds niet genoeg ruimte om te spelen en te wroeten. Runderen krijgen nog steeds geen recht op weidegang.
Voor vleeskalveren verandert er volgens Scouten bijna niets:
Kalveren blijven leven in een veel te kleine ruimte, op volledige roostervloeren, met ijzerarm ongeschikt ruwvoer waar ze ziek van worden. Ze krijgen geen uitloop naar buiten. Ze mogen niet grazen. Zelfs daglicht wordt niet verplicht gesteld. Sociale isolatie blijft nog steeds twee weken lang toegestaan. Dit alles is tegen de wetenschappelijke adviezen in.
Een kritiekpunt van zowel de ngo’s als de wetenschappers is dat het kabinet kleine verbeteringen voor de dieren binnen en vanuit het huidige veehouderijsysteem realiseert, maar dat is geen systeemverandering. ‘Een verbeterd bestaand systeem is nog geen dierwaardig systeem,’ vatte Beuving samen.
Door slechts beperkte hervormingen door te voeren, zit het kabinet volgens Hoorweg ‘een rigoreuze aanpak voor een werkelijk dierwaardige veehouderij in de weg door investeringen die nu worden gedaan.’ Boeren moeten hun stallen vóór 2040 — de wettelijke deadline voor een dierwaardige veehouderij — verbouwen om aan zowel lagere emissienormen als nieuwe dierenwelzijnsnormen te voldoen. Door normen voor dierenwelzijn (te) laag in te stellen, creëert het kabinet een ‘lock-in’ op verdere intensivering.
Waarom geen weidegang?
‘Innovaties’ die emissies verlagen, kunnen de leefomstandigheden van dieren zelfs verslechteren. Zoals doorfokken met runderen die van zichzelf een lagere methaanuitstoot hebben, zonder dat we de gevolgen voor hun gezondheid nog goed in zicht hebben. Of eiwitarm voeren, waarvan we de gezondheidsrisico’s wel degelijk begrijpen.
Minder eiwit in het voer zorgt voor minder ammoniakvorming in de urine en mest, maar verstoort ook de stofwisseling bij koeien die permanent óf zwanger zijn óf net een kalf hebben gekregen. Volgens de Volkskrant zien pathologen steeds vaker gevallen van leververvetting en baarmoederontsteking rond het afkalven.
Een betere manier om de stikstofuitstoot in de rundveehouderij terug te dringen, is weidegang. In de wei komen mest en urine nauwelijks tot niet samen, waardoor er minder tot geen ammoniak vormt. Weidegang is ook essentieel om te voorzien in de graasbehoefte van runderen, en dus nodig in een dierwaardige veehouderij. Runderen die vers gras eten, stoten ook nog eens minder methaan uit.
Toen in 2012 bleek dat nog maar 81 procent van de melkveebedrijven weidegang toepaste, was dat voor banken, boeren- en natuurorganisaties, zuivelfabrikanten en provinces aanleiding om het Convenant Weidegang te sluiten. Doel: minstens het niveau weidegang van 2012 vasthouden.
14 jaar later past nog maar 72 procent van de melkveebedrijven weidegang toe. Het aantal uren dat koeien weiden is met een kwart gedaald. Kalveren hebben net zo goed behoefte aan weidegang als volwassen runderen. Toch staan vrijwel alle kalveren in Nederland permanent op stal.
Minder boeren, meer megastallen
74 procent van de Nederlanders vindt dat dieren iedere dag naar buiten moeten kunnen. 63 procent koopt eieren, en 45 procent vlees(waren), met een keurmerk zoals EU-biologisch of Beter Leven.
Toch verplicht het kabinet weidegang niet, omdat niet alle boeren daar de nodige grond voor hebben. Maar dat zijn precies de (mega)bedrijven waar de meeste Nederlanders van af willen! 68 procent zou megastallen het liefst verbieden.
Uit onderzoek door Wakker Dier — één van de organisaties in de Dierencoalitie — bleek eerder dit jaar dat het aantal megastallen nog steeds toeneemt: vorig jaar kwamen er 105 megastallen bij. Er zijn nu 660 megastallen met koeien en nog eens 11 megastallen met vleeskalveren in ons land. Eén op de zeven koeien leeft in zo’n megastal en komt nooit buiten. Er is één kalverhouder in Nederland met een buitenuitloop.
De afgelopen vier jaar gaven 3.701 boeren er de brui aan, een afname van 16 procent. Volgens RVO lieten 324 van deze boeren zich door de overheid uitkopen. Verreweg de meeste bedrijfsbeëindigingen zijn dus marktgedreven.
Volgens Wageningen Social and Economic Research leiden de stikstofplannen van het kabinet tot nog (20 tot 40 procent) minder boeren en nog meer grote boerenbedrijven:
Zij hebben genoeg economische slagkracht om grond te verwerven en om de benodigde investeringen terug te verdienen. Kleinere bedrijven zijn vaak al een stuk extensiever…
Overheid moet keuze maken
De overheid moet niet doormodderen op de huidige weg, zei melkveehouder René Cruijsen van Eko-Holland vorige week in de Tweede Kamer, maar een duidelijke keuze maken voor wat voor landbouw we in Nederland willen. Wees daar eerlijk en helder over:
We hebben altijd het systeem gehad van massa is kassa. Die tijd is voorbij. Kies nou eens gewoon een systeem dat we de boeren kunnen behouden … en kies een systeem dat de boer op zijn eigen erf de kost kan verdienen. En dat het geen industriële massa-industrie wordt.
Geen buitenlucht voor varkens
Wie varkens buiten heeft zien rennen en wroeten, kan nooit meer denken dat deze dieren met een beetje stro op een betonnen vloer en een stalen ketting of een jute zak als ‘hokverrijking’ gelukkig zijn. Varkens zijn intelligente, sociale en zindelijke dieren die behoefte hebben aan uitdaging en voldoende leefruimte, ook om de plek waar ze rusten schoon te houden van urine en mest.
Nu hebben vleesvarkens recht op 0,8 vierkante meter leefruimte in de stal. In het kader van een ‘dierwaardige’ veehouderij zou het kabinet dat ophogen naar… 0,9 vierkante meter.
Voor moedervarkens en biggen zouden vrijloopkraamhokken moeten komen, maar daar blijven roostervloeren toegestaan die volgens wetenschappers het later aanbieden van geschikt nestbouwmateriaal voor zeugen belemmeren. Hooi, houtsnippers en stro kunnen de afvoer van urine en mest door de roostervloer blokkeren, waardoor meer ammoniak vormt in de stal. Hoge ammoniakconcentraties leiden tot benauwdheid, chronisch hoesten, geïrriteerde ogen, en borstvlies- en longontstekingen. Uit onderzoek door Varkens in Nood blijkt dat één op de vijf varkens in Nederland een borst- of longvliesontsteking krijgt.
Buitenuitloop en frisse lucht kunnen dat voorkomen. Buiten vertonen varkens ook veel meer van hun soorteigen spel-, sociale en wroetgedrag dan binnen. En, net als bij runderen, vormt er minder ammoniak wanneer varkens buiten mesten en urineren.
Maar buiten zijn emissies niet met luchtwassers af te vangen. Om een dierwaardige varkenshouderij binnen milieugrenzen te houden, zouden er dus op iedere boerderij minder varkens moeten worden gehouden. Dan is het goed om te weten dat we nu twee tot drie keer meer varkensvlees produceren dan we in Nederland consumeren.
Duitsland is onze grootste afzetmarkt. Laat een deel van de varkenshouderij daar naartoe verhuizen. Het spreiden van veehouderij over Europa voorkomt overbelasting van natuurgebieden door stikstof. Het zou transportafstanden tussen primaire bedrijven, slachterijen en supermarkten verkorten. Dat is milieuwinst zolang vrachtwagens op diesel rijden en ook beter voor het dierenwelzijn. In Duitsland neemt de vraag naar Duits varkensvlees toe. Zelfs zo snel dat retail zich er zorgen maken over de beschikbaarheid van lokaal geproduceerd vlees.
Eén reden dat de vraag in Duitsland verandert, is de introductie van een dierenwelzijnsetiket op varkensvlees vergelijkbaar met Beter Leven in Nederland. De Duitse overheid wil dit etiket de komende jaren ook voor andere productcategorieën en in de horeca gaan verplichten. Aldi Süd is al gestopt met de verkoop van verswaren uit de laagste categorie. De ambitie van alle grote Duitse retailers, waaronder Lidl en Rewe, is om vanaf 2030 alleen nog vers vlees te verkopen uit de middelste categorie: stallen met daglicht en frisse lucht én buitenuitloop.
De gangbare Nederlandse varkenshouderij voldoet niet aan die criteria. Toch verplicht het kabinet buitenuitloop en frisse lucht voor varkens niet, en blijft het de aanschaf van luchtwassers subsidiëren.
Overheid zit pioniers in de weg
Er is ook een heel ander beweging in Nederland. De Dierenbescherming zette maandag 12 boeren en bedrijven in het zonnetje die op eigen kracht de omslag naar dierwaardig hebben gemaakt of zelfs helemaal zonder dieren vlees- en visachtige producten maken. De vakjury van de Dierenbescherming koos onder meer Akkervarken, Boerderij Ruimzicht en Boerderij De Goed Gevulde als winnaars van hun tweejaarlijkse Deltaplan Veehouderij Awards.
De winnaars — drie Caring Farmers — deden een klemmend beroep op de politiek: steun ons nou. Want regels, subsidies en markt zijn decennialang ingericht op intensivering in de veehouderij.
Een week eerder had Van Ormondt in een technische briefing in de Tweede Kamer over het rapport Iedere boer telt van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland toegelicht hoe regels onbedoeld pioniers in de weg kunnen zitten. Zij gaf een aantal voorbeelden.
Het is in de basis al krom dat duurzame boeren moeten betalen voor certificering om hun duurzaamheid aan te tonen terwijl de milieukosten van gangbare landbouw niet zijn ingeprijsd. Daardoor ontstaat een dubbel zo groot prijsverschil in de supermarkt.
Dat prijsverschil wordt nog groter, doordat supermarkten meer marge nemen op biologische producten. De biologische consument betaalt toch wel.
Boeren die geen gif spuiten, betalen evenveel belasting aan het waterschap als boeren die wel gif spuiten.
Boeren die geen of minder (kunst)mest gebruiken, moeten nog steeds bufferstroken langs hun sloten aanhouden.
Tot 250 kippen gelden soepele regels voor hobbymatig bezit. Vanaf 250 kippen gelden dezelfde, veel strengere regels als voor een pluimveehouder met 100.000 dieren. In België en Duitsland ligt die grens op 1.000 dieren.
Wie bomen op de boerderij plant, krijgt te maken met verschillende regels voor ‘productieve’ en ‘niet-productieve landschapselementen’. Wie dat verkeert inschat, kan een boete van RVO verwachten of een korting op de hectarepremie.
Wie schapen tussen de bomen laat grazen, kan weer op een boete rekenen. Want dieren mogen niet in een voedselbos.
Staatsbosbeheer verpacht land aan de hoogste bieder. Een gangbare melkveehouder met een mestoverschot kan waarschijnlijk meer voor grond betalen dan een extensieve boer met minder dieren.
In de vergunningverlening en het stikstofbeleid rekenen overheden met emissiefactoren voor stalsystemen die zijn berekend op basis van gangbare bedrijven. Alle overige stalsystemen worden op één hoop gegooid, waardoor de milieuwinst van zelf ontworpen, dierwaardige houderijconcepten en -systeem wordt ondergewaardeerd.
Het kabinet wil de komende jaren nog eens 2 miljard euro besteden aan emissiereductie in de veehouderij. Boeren die al extensief zijn, geen mestoverschot hebben en binnen milieugrenzen produceren, krijgen daar geen beloning voor.
De Caring Farmers zijn niet de enigen die tegen obstakels aanlopen. De Dierencoalitie interviewde in 2022 dierwaardige boeren over hun moeilijkheden. De Federatie van Agroecologische Boeren deed in 2024 onderzoek naar de belemmeringen voor tuinders in certificering en wet- en regelgeving. Biohuis en Bionext werken in 2025 samen met het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur om de regeldruk voor biologische boeren in kaart te brengen. Met al deze analysen en aanbevelingen is vooralsnog weinig gedaan.
Transities beginnen niet in het midden
De denkfout die ook in de politiek wordt gemaakt, is dat transities tot stand komen wanneer het brede midden gaat bewegen. Transities zijn systeemveranderingen; die komen niet uit het ‘brede midden’ van het oude systeem.
Het waren niet Ford en Volkswagen die de eerste elektrische auto’s op de markt brachten. Het was niet Shell dat de eerste zonnepanelen verkocht. In de energietransitie begrijpen we dat vernieuwing van buiten komt — en een overheid nodig heeft om de spelregels te veranderen.
Beuving bracht woensdag in herinnering dat de Nederlandse landbouw die ervaring ook heeft:
Het is nog geen 80 jaar geleden dat de overheid een gigantische transitie heeft ingezet als landschapsarchitect. Het volledige Nederlandse cultuurlandschap heeft gewijzigd. Enorm heeft ingegrepen in de markt. Via ruilverkaveling ervoor gezorgd heeft dat de sector zoals we die toen kende — traditionele, kleinschalige boeren — veranderde in de grootschalige, mechanische, gangbare landbouw zoals we die nu kennen. […] Die overheid toen was niet bang om toekomstbeelden te stellen. Was niet bang om te zeggen: dit is de stip op de horizon, hier gaan we naartoe en zo ziet het er uit.
Concurrerend blijven in Europa
Nederlanders zouden zo’n ambitie nu weer toejuichen, vulde Verdonk aan. 80 procent wil namelijk een veehouderij waarin dieren hun natuurlijke gedrag kunnen vertonen.
Een concurrentiestrijd op lage kosten verliest Nederland uiteindelijk. Andere landen hebben meer ruimte en meer milieugebruiksruimte voor boeren, lagere personeelskosten en lagere energiekosten. Wij moeten ons op een andere manier onderscheiden:
We kunnen hier als Nederland koploper worden in de export van hele hoogwaardige dierenwelzijnsproducten. […] We zijn niet een eilandje. We zijn onderdeel van een regio waar deze problematiek overal speelt.
Ik noemde eerder Duitsland. Verdonk gaf het voorbeeld van Denemarken, waar een nieuwe regering de uitbreiding van varkenshouderij zelfs heeft verboden. In Frankrijk werken acht van de grootste voedselleveranciers en supermarkten, met een gezamenlijk marktaandeel van 60 tot 70 procent, samen met vier ngo’s en 12 eieren-, vlees- en zuivelfabrieken en -verwerkers in het Étiquette Bien-Être Animal (‘Etiket Welzijn Dieren’). 12 procent van de Franse vleeskuikens en de helft van de kippen met vrije uitloop vallen onder dit label, dat nu ook uitbreidt naar varkensvlees.
Door voorop te gaan in de transitie naar een dierwaardige veehouderij, kunnen we in Nederland niet alleen producten maar ook kennis en houderijsystemen ontwikkelen voor de rest van de wereld. Neem een voorbeeld aan de glastuinbouw. Acht op de tien glazen kassen in de wereld zijn van Nederlandse maak of van Nederlands ontwerp. Waarom zouden we dat niet ook voor vrijloopkraamhokken kunnen doen? Of varkenstoiletten? Kipster – een Nederlands model voor dierwaardige pluimveehouderij – heeft al een boerderij in Amerika geopend.
Beuving en Verdonk zijn niet de enigen die liever in kansen denken; Erkens zei in maart ook dat de beweging naar een meer dierwaardige veehouderij de ‘internationale concurrentiepositie’ van Nederland kan versterken:
Met dierwaardig geproduceerde producten kan Nederland zich ook sterk positioneren op een afzetmarkt van consumenten met ook veranderende preferenties, vooral onder de jongere generaties.
Helaas spreekt dat optimisme nog niet uit het beleid.


Wat maakt nou dat het goede doen, niet wordt opgepakt?