Een integraal beleid voor dierwaardigheid én stikstof?
Het ligt al drie jaar op plank.
De wens om alle opgaven in de landbouw en het landelijke gebied integraal aan te vliegen, wordt in Den Haag breed gedeeld.
Zo schreef D66 in het verkiezingsprogramma:
De tijd van onsamenhangende beleidsdoelen is voorbij. Water, natuur, klimaat en bodem vragen om samenwerking tussen overheden, boeren en samenleving. Alleen zo voorkomen we dat boeren van crisis naar crisis gaan.
Vorige maand steunde de Tweede Kamer bij meerderheid een motie van Laura Bromet (GL-PvdA) en Ines Kostić (PvdD) die het kabinet oproept om dierwaardigheid nadrukkelijk te betrekken bij de stikstofaanpak.
Diezelfde week verstuurde de nieuwe minister van Landbouw, Jaimi van Essen (D66), een brief, waarin hij een aanpak schetst ‘voor natuur en stikstof, in samenhang met de opgaven op water en gewasbeschermingsmiddelen, klimaat en dierwaardigheid, gericht [op] het vormgeven van een toekomstbestendige landbouw en een toekomstgericht voedselsysteem.’
Dat klinkt positief. Maar de ervaring van de afgelopen jaren heeft mij wel een beetje sceptisch gemaakt. Wanneer er keuzes moesten worden gemaakt, trok dierwaardigheid toch meestal aan het kortste eind.
In deze nieuwsbrief eerst de scepsis. Vervolgens hoe het wél kan.
Korte en langere termijn
Op korte termijn moet Van Essen maatregelen treffen voor niet alleen stikstof, maar ook weidevogelbeheer en waterkwaliteit.
De Europese Commissie is een zogenoemde inbreukprocedure tegen Nederland gestart, omdat we er onvoldoende in slagen weidevogels zoals de grutto te beschermen. Daar verplicht de Europese Vogelrichtlijn ons wel toe. Als Nederland de Europese Commissie niet weet te overtuigen met aanvullend beleid, kan zo’n inbreukprocedure leiden tot boetes. In 2024 scherpte Duitsland bijvoorbeeld de mestwetgeving snel aan om boetes met terugwerkende kracht van ruim 1 miljoen euro per dag te voorkomen in een inbreukprocedure voor het niet naleven van de Nitraatrichtlijn.
In uiterlijk 2027 moeten alle grond- en oppervlaktewateren in de EU volgens de Kaderrichtlijn Water in een ‘goede toestand’ verkeren. Zo ver zijn we in Nederland nog niet. (Andere lidstaten ook niet,, dus de kans bestaat dat hier in de loop van het jaar uitstel op wordt onderhandeld.)
Voor de jaren 2030, 2040 en 2050 staan reductiedoelen voor broeikasgasemissies in de boeken. In de Nederlandse land- en tuinbouw daalt die uitstoot maar mondjesmaat. Dat bemoeilijkt de hele klimaatopgave.
En we hebben in Nederland een deadline van 2040 in de wet gezet voor een dierwaardige veehouderij.
Dierenwelzijn in de knel
Juist die laatste doelstelling komt in de knel als het kabinet vooral oog heeft voor klimaat en natuur(herstel) — waaronder weidevogelbeheer en water — en dierenwelzijn niet volwaardig meeneemt.
Beleid om emissies — naar bodem, lucht en water — van broeikasgassen of stikstofverbindingen te reduceren, zit elkaar zelden in de weg. Maar het kan ook het ophokken van dieren in de hand werken. Of het fokken van dieren op een lagere uitstoot, wat niet per se gezondere dieren zijn.
De vorige minister van Landbouw, Femke Wiersma (BBB), beweerde óók dat zij ‘zoveel mogelijk integraal’ beleid wilde maken:
Immers, het komt allemaal samen op het boerenerf. Zo wil ik zo veel mogelijk voorkomen dat beleid gericht op de ene opgave ingaat tegen andere opgaven waar agrarische ondernemers ook aan werken en dat maatregelen elkaar juist zo veel mogelijk versterken.
Vervolgens onderwierp zij de dierwaardige veehouderij tot ‘de gestelde kaders voor natuur, milieu, lucht, water en bodem’ en gaf zij nadrukkelijk het risico op hogere emissies als reden om verbeteringen voor het dierenwelzijn niet te verplichten.
Zoals buitenuitloop voor varkens. Emissies uit de stal worden door varkenshouders deels afgevangen met luchtwassers. De dieren ademen binnen echter de dampen van hun eigen ontlasting in, wat mettertijd kan leiden tot benauwdheid, chronisch hoesten, geïrriteerde ogen, en borstvlies- en longontsteking. Uit onderzoek door Varkens in Nood — één van de organisaties in de Dierencoalitie, waar ik voor werk — blijkt dat één op de vijf varkens in Nederland een borst- of longvliesontsteking krijgt.
Taboe op minder
In een dierwaardige varkenshouderij, mét buitenuitloop, zouden ook minder varkens kunnen worden gehouden om zo de totale uitstoot van de sector binnen perken te houden. Dan wordt er minder varkensvlees geproduceerd, maar de meeste Nederlanders eten meer dan genoeg vlees.
In de vorig jaar geactualiseerde Richtlijnen goede voeding adviseert de Gezondheidsraad om minder vlees (en met name rood vlees, zoals van varkens) te eten en meer fruit, groenten en peulvruchten. Vlees bevat gunstige voedingsstoffen, waaronder eiwit, ijzer en vitamines B, maar meestal ook veel zout en verzadigde vetzuren. Een hogere consumptie van rood en bewerkt vlees verhoogt het risico op hart- en vaatziekten. Veel Nederlanders eten daarentegen minder fruit, groenten en peulvruchten dan het Voedingscentrum aanraadt. Ook vanuit volksgezondheid valt er dus iets te zeggen voor een kleinere varkenshouderij.
Krimp mocht van Wiersma echter ‘geen doel op zich’ zijn. In reactie op een Woo-verzoek liet haar ministerie in 2025 weten over geen enkel document te beschikken waarin dierwaardigheid of EU-dierenwelzijnsregels waren meegewogen met betrekking tot het verminderen van stikstof in samenhang met het verminderen van het gebruik van dieren in de agrarische sector.
Wel begrootte de BBB-minister miljoenen euro’s meer subsidie om ‘innovaties’ in emissiereductie en mestverwerking te stimuleren.
Gebukt onder stikstofbeleid
In januari schreven de Dierenbescherming en Dierencoalitie samen een brief aan de vaste Tweede Kamercommissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, waarin de organisaties hun zorgen uitten over de verkokering van beleid onder Wiersma.
Die zorg werd bevestigd door een rapportage in de Volkskrant: ‘Koeien, varkens en kippen gaan gebukt onder stikstofbeleid.’ Melkveehouders bleken hun dieren bijvoorbeeld minder eiwit in verhouding tot energie te voeren om zo de stikstofuitstoot terug te dringen. Wanneer koeien meer eiwit eten dan ze nodig hebben, wordt dat in de pens afgebroken tot ammoniak. Maar te weinig eiwit verstoort ook de stofwisseling. Vooral in de weken nadat een koe een kalf heeft gekregen, kan de balans zoek raken. Volgens de Volkskrant zagen pathologen vaker gevallen van leververvetting en baarmoederontsteking rond het afkalven.
Een betere manier om de stikstofuitstoot in de rundveehouderij terug te dringen, is weidegang. In de wei komen mest en urine nauwelijks tot niet samen, waardoor er minder tot geen ammoniak (een stikstofverbinding) vormt. Weidegang is ook essentieel om te voorzien in de graasbehoefte van runderen, dus nodig in een dierwaardige veehouderij. En runderen die vers gras eten, stoten minder methaan uit (een broeikasgas).
Toch komen één op de drie koeien in Nederland nooit buiten. Het aandeel koeien dat permanent op stal staat, nam in 2024 met 12 procent toe. Van de dieren die wél buitenkomen, is het aantal uren weidegang in 10 jaar tijd met een kwart gedaald. Voor Wiersma geen reden om weidegang te verplichten.
‘Mitigerende maatregelen’
Eén week voordat het nieuwe kabinet aantrad, stuurde Wiersma een kabinetsreactie op de brief. Daarin erkende zij dat ‘effectieve technieken voor emissiereductie uit stallen’ voor sommige dieren ‘vanuit andere oogpunten juist minder gewenst’ konden zijn.
Zij deelde echter niet de opvatting van de Dierenbescherming en Dierencoalitie dat de overheid ‘win-verliesoplossingen’ (goed voor milieu, slecht voor dierenwelzijn) stimuleert wanneer het emissiereductie prioriteit geeft:
Voor zover een techniek nadelen heeft voor bijvoorbeeld brandveiligheid of dierenwelzijn, kunnen mitigerende maatregelen worden genomen.
Allicht. Maar dan maak je zelf dus geen ‘integraal’ beleid.
Win-win-winoplossingen
Dierenwelzijnsorganisaties hebben niet alleen zorgen, maar ook oplossingen. Al in 2023 maakte de Dierenbescherming samen met Caring Farmers, Natuur & Milieu, Natuurmonumenten en de Vogelbescherming een overzicht van wat zij win-win-winoplossingen noemden voor én dierenwelzijn én klimaat én natuur én water én een beter verdienmodel voor veehouders: ‘Ook onze transitie.’
Weidegang is een voorbeeld. Maar ook:
Het houden van ‘dubbeldoelrassen’ die én eieren of zuivel én vlees opleveren. Voorbeelden zijn de kippen van Kipster en veel runderen van Caring Farmers.
Het voeren van reststromen. Dat voorkomt voedselverspilling én verlaagt de CO₂-footprint.
De teelt van diervoeder draagt wereldwijd bij aan klimaatverandering door onder meer ontbossing, (over)bemesting en transport op schepen en in vrachtwagens die broeikasgassen uitstoten.
Natuurlijke ventilatie. Dat bespaart energie en geeft de dieren frisse lucht.
Buitenuitloop voor kippen onder zonnepanelen.
De toename in emissies bij buitenuitloop lijkt in de pluimveehouderij mee te vallen. Zie onderzoeken uit 2021 en 2023. Sowieso zou met eigen energieopwek op de boerderij uitstoot van broeikasgassen worden bespaard of gecompenseerd die anders in gas- of kolencentrales vrijkomt. Kippen scharrelen van nature graag onder en tussen bomen en struiken die beschutting bieden tegen roofdieren.
Stoppen met castreren van biggen. Intacte beren hebben een betere voederconversie, waardoor ze minder vreten, wat gunstig is voor de kosten en de CO₂-footprint.
Meer vezels in het voer. Draagt bij aan een betere vertering, waardoor er ook weer minder voer nodig is. En minder onverteerde eiwit in de ontlasting, dus minder ammoniakvorming.
Functiegebieden in varkensstallen: om te eten, mesten en rusten. Varkens zijn zindelijke dieren. Door ze een aparte ruimte te gunnen waar ze hun behoefte kunnen doen, kan de boer mest en urine gescheiden houden en dus ammoniakvorming tegengaan.
Ik was laatst op bezoek bij Kees Scheepens, die een varkenstoilet heeft ontwikkeld waarin de dieren zelfs wordt geleerd om apart te plassen en poepen. Dan ontstaat er überhaupt geen ammoniak.
Een VrijLevenStal of vergelijkbaar systeem voor runderen met drainagezand. De vaste mest wordt hierbij uit de bedding gezeefd. De urine zakt door het zand naar een drainagesysteem. Ook op deze manier vormt er minder ammoniak.
Zet pioniers in hun kracht
Dit zijn geen theoretische oplossing; biologische boeren en boeren die werken onder het Beter Leven-keurmerk en Caring Farmers brengen dit soort win-win-winoplossingen al in de praktijk. Het keurmerk vergoedt eventuele meerkosten, of boeren verkopen direct(er) aan de consument. In boerderijwinkels of online. Maar zij concurreren nog steeds in een markt die vaak prioriteit geeft aan lage prijs en lage CO₂-footprint (per kilo product).
Een overheid die evenveel hecht aan dierenwelzijn als aan klimaat, natuur, water en het verdienmodel van veehouders zou dat speelveld gelijker kunnen trekken. Zoals ik in een eerdere nieuwsbrief schreef, is het nu andersom. Regels, subsidies en vergunningverlening zijn ingericht op gangbare, intensieve systemen, waarbinnen met nog gerichtere fok, nog verdere verfijning in voer, verwerking (zoals vergisting) van mest en nog meer techniek emissies nóg verder kunnen worden teruggebracht. Maar in zo’n systeem blijft dierwaardigheid een extra kostenpost in plaats van integraal bij te dragen aan een duurzaam en gezond voedselsysteem.
Hanneke van Ormondt van Caring Farmers bevestigde dat donderdag in een rondetafelgesprek over doelsturing met Tweede Kamerleden. De circa 400 boeren die bij hen zijn aangesloten moeten ‘door extra veel hoepels springen en hebben extra veel administratieve lasten,’ omdat ze te extensief zijn of te kleinschalig of op een andere manier te afwijkend van de norm. (Lees daar meer over in Iedere boer telt van RVO.) Om dezelfde redenen vinden ze moeilijk aansluiting bij een keurmerk. Dus wel de lasten van zo dier- en milieuvriendelijk boeren, maar niet de lusten.
Terwijl, zoals Anne-Marijke Podt van D66 opmerkte, er in de Tweede Kamer veel sympathie is voor pionierende boeren die niet wachten totdat de rest van de keten verandert maar zélf de verandering in gang zetten.
Laat dit kabinet die sympathie omzetten in beleid.


