Tweede Kamer is import van Ierse kalfjes zat
'Het is einde oefening,' zegt Dion Graus. Maar de grootste kalverslachter van Nederland gaat gewoon door.

Vorig jaar importeerde Nederland ruim 80.000 kalveren uit Ierland. Dieren van meestal drie tot vier weken oud die hier na een dagenlange reis over zee en over land nog vijf tot acht maanden worden vetgemest voordat hun vlees aan Duitsland, Frankrijk of Italië wordt verkocht. Nederlanders eten namelijk weinig kalfsvlees.
De Tweede Kamer vraagt al jaren bij meerderheid om een einde te maken aan deze diertransporten, maar opeenvolgende ministers beweerden er weinig tot niets tegen te kunnen doen. Donderdag probeerde de vaste Tweede Kamercommissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur het opnieuw bij de nieuwe staatssecretaris, Silvio Erkens (VVD).
Tal van misstanden
De invoer uit Ierland lijkt over het hoogtepunt heen. In 2023 kwamen meer dan 100.000 Ierse kalveren onze kant op. In voorgaande jaren had de handel een grote vlucht genomen. In 2016 ging het nog maar om 26.000 kalfjes. De laatste jaren wordt de import weer minder.
Het transport kan volgens de NOS 50 tot 80 uur duren en gaat onherroepelijk gepaard met dierenleed. De kalveren hebben nog nauwelijks kunnen wennen aan de wereld om hen heen. Hun weerstand is laag. Wanneer ze met velen op vrachtwagens en boten worden geladen, leidt dat tot angst en stress. Als er zieke dieren tussen zitten, steken die andere aan. Op de boot krijgen de kalfjes geen drinkwater.
Eyes on Animals, één van de organisaties in de Dierencoalitie (waar ik voor werk), volgde in 2024 kalvertransporten uit Ierland in samenwerking met andere dierenwelzijnsorganisaties in Ierland, Frankrijk en Nederland. Zij troffen tal van misstanden en overtreding aan, van kalveren die in verzamelplaatsen werden geschopt en geslagen tot dieren die langer dan een eetmaal geen eten en drinken kregen. De Ierse publieke omroep besteedde destijds een uitzending aan hun bevindingen.
Dier&Recht, die ook meewerkten aan het onderzoek, boden vorig jaar een petitie in de Tweede Kamer aan om jonge kalfjes bij hun moeder te laten opgroeien. Laura Bromet (PRO) legde in het debat op donderdag nog eens uit waarom het scheiden van koe en kalf zo tegen de natuur indruist:
‘Kappen ermee’
Zeven op de tien kalveren uit de Nederlandse zuivelindustrie geldt als restproduct. Toch importeert ons land ook kalveren, vorig jaar in totaal 675.000. Er werden 1,4 miljoen kalveren geslacht. 90 procent van het vlees werd geëxporteerd.
Grote slachters zoals de VanDrie Groep zijn er miljonair mee geworden, maar de jaarlijkse toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie is beperkt: 1,5 tot 2 miljard euro. ‘Kappen ermee!’ zei Dion Graus (PVV) donderdag.
Het is einde oefening. De Kamer wil het niet. Merendeel van de Nederlandse bevolking wil het niet.
79 procent van de Nederlanders vindt dat het transport van jonge kalfjes over lange afstanden moet stoppen.
VanDrie trekt belofte in
VanDrie beloofde in 2021 om binnen vijf jaar op te houden met de invoer van kalveren uit Ierland en ook Oost-Europa, vanwege de lange afstanden. Die belofte is niet waargemaakt. ‘Die sector gaat dat niet uit zichzelf doen,’ stelde Esther Ouwehand (PvdD) donderdag vast.
Voorafgaand aan het debat hadden Ouwehand en Renate den Hollander (VVD), en ook Anne-Marijke Podt (D66), schriftelijke vragen aan de staatssecretaris gesteld. In zijn antwoorden, en ook in het debat op donderdag, noemde Erkens lange transporten van kwetsbare — waaronder jonge, ongespeende — dieren ‘vanuit het oogpunt van dierenwelzijn onwenselijk.’
Dat vond Piet Adema (CU), toen minister van Landbouw, twee jaar geleden ook. ‘Wij moeten ons ernstig afvragen of wij nog zulke lange transporten willen,’ hield hij dezelfde Kamercommissie in 2024 voor.
Ik vind ook dat de kalversector gewoon in balans gebracht moet worden met de rundveehouderij. Het kan toch niet waar zijn dat wij praten over de krimp van de melkveehouderij, terwijl de kalversector uit Ierland hier komt? Ik zeg weleens: de kalveren komen hier, schijten de boel onder, vervuilen de boel, zorgen hier voor uitstoot en vervolgens gaan ze als karkas de grens over terwijl onze boeren worden geraakt door diezelfde uitstoot. Dat zal echt anders moeten.
Adema pleitte voor een maximale transportduur voor dieren in de hele Europese Unie van 8 uur. De Tweede Kamer steunde in 2025 een motie van Bromet voor een grens van 6 uur. Maar Nederland kan dat voor grensoverschrijdende transporten niet afdwingen. Dan gelden Europese regels.
Eén omweg: hogere boetes voor overtreders
In EU-verband wordt onderhandeld over herziening van die transportverordening. Maar Erkens weet dat Nederland weinig medestanders heeft om de transportduur naar 8, laat staan 6, uur terug te schroeven:
Het krachtenveld is daar echter zeer uitdagend met een meerderheid van de lidstaten die dergelijke strengere regels niet ziet zitten.
Er zijn omwegen.
Eén is het beboeten van transporteurs die zich niet aan de regels houden. Volgens de Europese Commissie is het onder de huidige verordening bijvoorbeeld al niet toegestaan om kalveren langer dan 12 uur voeding en water te onthouden. Ierland deelt die lezing niet, blijkt uit een tweede rapportage van de NOS. Voeding en water zouden niet ‘noodzakelijk’ zijn. De dieren overleven het transport immers (meestal).
Als Ierse vervoerders boetes krijgen van de NVWA, betalen ze die simpelweg niet. De Ierse autoriteiten zouden aan het innen van die boetes mee moeten werken om de ergste dierenbeulen er uit te halen. Ook de Nederlandse kalvermesters waar zij aan leveren, zouden aansprakelijk kunnen worden gehouden. Zij kopen immers een ‘product’ (dat zijn dieren voor de wet) dat illegaal is verhandeld.
Twee: ziektevrije status
Een tweede omweg is het optuigen van bestrijdingsprogramma’s voor dierziektes zoals de koeiengriep (IBR) en het diarreevirus BVD. Met zo’n — door de Europese Commissie erkend — bestrijdings- of uitroeiingsprogramma mag een lidstaat diertransporten weigeren uit landen zónder bestrijdingsprogramma.
Harm Holman (NSC) en Eline Vedder (CDA) dienden ten tijde van het vorige kabinet moties in om precies dit in gang te zetten voor IBR en BVD. Voor IBR hebben verder alleen België, Denemarken, Duitsland, Luxemburg en Tsjechië bestrijdingsprogramma’s.
De Nederlandse programma’s zijn door Femke Wiersma (BBB) als minister opgezet. In 2027 zouden beide rond moeten zijn.
Drie: productierechten voor kalveren
Een derde alternatief is het invoeren van dierproductierechten in de kalverhouderij, zoals die al bestaan voor koeien, pluimvee en varkens, om emissies die schadelijk zijn voor het milieu binnen perken te houden.
In het coalitieakkoord hebben D66, VVD en CDA afgesproken om het stelsel van dier- en fosfaatrechten uit te breiden naar kalveren en geiten:
Wanneer een bedrijf overgaat naar een nieuwe eigenaar buiten de familie worden dier- en fosfaatrechten afgeroomd. Dit vergt een verbreding van een al bestaande juridische grondslag die is gekoppeld aan de mestproductieplafonds. Voor de zomer worden de verschillende afromingspercentages na overleg met betrokken partijen vastgesteld, op basis van wat vanuit de bredere opgave nodig is.
Wanneer het aantal kalverrechten wordt gekoppeld aan de omvang van de Nederlandse melkveehouderij, wordt import niet verboden, maar moeten invoer en uitvoer van dieren wel in balans zijn.
Dat zal niet onmiddellijk gaan. Nederland heeft eerder met de Europese Commissie afgesproken om de melkveehouderij in 2032 ‘grondgebonden’ te maken. Dat betekent dat melkveehouders hun mest op eigen land of in de directe omgeving moeten kunnen afzetten. Het coalitieakkoord stelt een ‘eenvoudige grondgebondenheidsnorm’ voor 2032 in het vooruitzicht. Dat zou kunnen zijn: een aantal hectare grasland per koe.
In 2024 steunde een ruime meerderheid van partijen in de Tweede Kamer een motie van Tjeerd de Groot (D66) en Pieter Grinwis (CU) die de regering verzocht om bij de inrichting van de kalverhouderij te koersen op de omvang van de Nederlandse melkveehouderij. Het ligt dan ook in de rede om in of vlak na 2032 niet meer productierechten voor kalveren in de markt te hebben dan er kalveren in Nederland worden geboren.
Vier: een dierwaardige veehouderij
Op de langere termijn biedt de transitie naar een dierwaardige veehouderij uitkomst. Als we in Nederland besluiten dat kalveren bij hun moeder horen te zogen, zoals Dier&Recht in hun petitie vroeg, vervalt het verdienmodel van de Ierse exporteurs en Nederlandse slachters zoals de VanDrie Groep snel. Het is financieel interessant om jonge dieren te vervoeren. Een kalf van drie maanden oud neemt in een vrachtwagen twee tot drie keer zoveel ruimte in als een kalf van drie weken oud.
Wetenschappers van de Universiteit Utrecht schreven in 2022, op basis van alle toen beschikbare kennis over de gedragsbehoeften van runderen, dat kalveren bij hun moeder moeten opgroeien in een kudde die varieert in leeftijd en sekse. Dat komt de gezondheid maar ook de socialisatie van kalveren ten goede.
In de natuur zogen kalveren 6 tot 8 maanden bij de koe. Kalveren drinken geleidelijk minder moedermelk en meer ruwvoer, zoals gras. De Dierenbescherming pleit voor een zogenoemde speenleeftijd van niet minder dan 3 maanden. (Er is geen wettelijke speenleeftijd voor runderen. Voor andere zoogdieren, zoals honden, katten, konijnen en varkens, wel.)
Dier&Recht, Wakker Dier en de Dierencoalitie vroegen advies- en communicatiebureau Schuttelaar & Partners om verder uit te zoeken wat de transitie naar een dierwaardige veehouderij in 2040 betekent voor de kalverhouderij. Vijf jaar geleden deed Schuttelaar namelijk ook onderzoek naar de toekomst van de kalverketen in Nederland, toen in opdracht van minister van Landbouw Carola Schouten (CU).
Schuttelaar schetste destijds samen met twee andere onderzoeksbureau’s drie scenario’s voor een toekomstbestendige kalverketen. Maar de aanbevelingen verdwenen in een la op het ministerie.
In de tussentijd formuleerde de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA), ook op verzoek van Schouten, zes principes voor een dierwaardige veehouderij die in 2024 door D66 en VVD aan de Wet dieren werden toegevoegd.
Eén van de drie scenario’s vervalt daardoor in het nieuwe Schuttelaar-rapport: die voldoet niet meer aan de wettelijke eisen. Een tweede, waarbij kalveren na drie maanden van het melkveebedrijf naar een nabijgelegen kalvermesterij worden gebracht, voldoet mogelijk deels. Het beste scenario is volledige integratie van melkvee- en kalverhouderij. Dus ook geen import meer van kalveren uit andere landen.
In april lichtten Roos Benard en Marlijn Henskens van Schuttelaar & Partners hun bevindingen toe in een technische briefing voor Tweede Kamerleden.

