Innovatie verzandt in Nederland in de polder
De zucht naar draagvlak geeft gevestigde belangen vaak een veto.
In mei gingen 26 economen, investeerders en ondernemers — van onder meer de Rabobank, HollandBio, Invest-NL en TomTom — om tafel om te bespreken waarom ons land weliswaar uitblinkt in kennis en nieuwe ideeën, maar de toepassing en opschaling ervan zo vaak blijven steken. Simon Huijben vat hun conclusie samen in economenblad ESB: Nederland mist de cultuur en instituties om nieuwe inzichten en uitvindingen door te vertalen en op te schalen naar concurrerende innovaties.
Dat komt deels door Nederlands-eigen risicomijdendheid, wat vast weer te maken heeft met onze eeuwenlange strijd met het water. Geen volk dat zoveel verzekeringen afsluit als wij. De naamloze vennootschap — een vorm van risicospreiding — is hier uitgevonden. De dekkingsgraad van onze pensioenfondsen behoort met gemiddeld 130 procent tot de hoogste ter wereld. (Bij 100 procent kan een fonds aan de huidige pensioenverplichtingen voldoen.)
Nederland kent verder van oudsher een samenspel tussen markt en staat dat vernieuwing in de weg kan zitten. Lees bijvoorbeeld The Political Economy of the Dutch Republic door Oscar Gelderblom of The Making of a Bourgeois State door Marjolein ‘t Hart, maar ook Gronings goud van Wendelmoet Boersema of De strijd om het IJ van Corine Nijenhuis. De geschiedenis van het Nederlandse kapitalisme, door hen in het groot en in het klein beschreven, is er niet één van laissez-faire, noch van étatisme, maar van samenspanning tussen bedrijfsleven en overheid. De Franse auteur Michel Houellebecq meende zelfs, ‘Holland is geen land, het is op zijn best een bedrijf.’
Een oordeel dat teruggaat tot de achttiende eeuw. Vooral in Brabant, Holland en Zeeland bestond er toen nauwelijks een scheiding tussen economische en politieke macht: bankiers, kooplieden en andere topondernemers bemanden het vroedschap van hun stad, de Staten van hun gewest en de Staten-Generaal. Een manier van doen die lang vóór de Nederlandse onafhankelijkheid ontstond (laatste leestip: De Bourgondiërs door Bart Van Loo), tot in de negentiende eeuw voortduurde, en in de twintigste eeuw — toen zulke dubbele rollen echt niet meer konden — werd geprofessionaliseerd door brancheverenigingen te vormen, en consensus- en overlegorganen in te richten, onder de waaier van het ‘poldermodel’.
Die historie en mentaliteit biedt volgens mij een tweede verklaring voor de vraag die de rondetafel in mei opwierp, maar waar de deelnemers geen oplossing voor bedachten.
Doormodderen
In onze grootste kracht schuilt ook een grote zwakte. Wat ons veel en een voorspelbare groei in welvaart heeft gebracht — van kanalenkoning Willem I tot de exploitatie van het Gronings gas tot ‘project Beethoven’ om ASML en de chipindustrie in Eindhoven te behouden — leidt er soms ook toe dat we in de polder verzanden.
Dan is een externe shock (zoals de Franse Tijd, de agrarische crisis van de late negentiende eeuw, de Grote Depressie van de jaren dertig of de oliecrisis en stagflatie van de jaren zeventig) nodig om verandering teweeg te brengen (respectievelijk: het einde van de Hollandse handelsoligarchie, de verlate industrialisering van Nederland en de oprichting van openbaar onderwijs, het afschaffen van de gouden standaard en de liberaliseringen van de jaren tachtig en negentig).
Het besef dat we met het groeimodel van de twintigste eeuw klimaat en natuur hebben overvraagd, noopt nu weer tot zo’n kentering. Energie, industrie en mobiliteit maken de nodige transitie, die in Europa extra urgentie ontleent aan onze kostbaar gebleken afhankelijkheden van onbetrouwbare landen. In de landbouw en voedselketen daarentegen modderen we door, terwijl ‘plantveredeling, duurzamere teeltmethoden en nieuwe eiwitten’ niet alleen zorgen ‘voor een duurzame voedselproductie en voedselzekerheid,’ maar tegelijk ‘onze weerbaarheid in spannende geopolitieke tijden’ vergroten.
Dat is niet alleen mijn mening, maar schreef staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur Silvio Erkens (VVD) vlak voor de zomer in een brief aan de Tweede Kamer. Toch wekt ook maar de suggestie van systeemverandering in de landbouw protesten op, tot snelwegblokkades en doodsbedreigingen aan toe. Hoe keren we het tij?
Institutionele inrichting
Huijben schrijft dat innovatie — of zelfs een ‘cultuur van vooruitgang’ — baat heeft bij een ‘institutionele inrichting die ambitie omzet in actie’:
universiteiten die valorisatie belonen, financiering die de innovatieketen verticaal dekt, en een politiek die keuzes maakt en ze volhoudt.
‘Valorisatie’ is uitvindingen en inzichten tot nut maken, bijvoorbeeld wanneer studenten een start-up beginnen. Mijn beeld is dat Nederlandse universiteiten best een helpende hand toesteken, maar hier weet ik te weinig van, dus ik beperk mij verder tot financiering en de politiek.
‘Verticale’ financiering betekent van eerste steuntje in de rug tot opschaling naar winstgevend bedrijf. ‘Van laboratorium tot fabriek loopt het spoor’ volgens Huijben nu ‘doorgaans stuk op één van de tussenstations.’ Een bekend probleem is de investeringskloof tussen start-up en scale-up. Tientallen miljoenen euro’s weten bedrijven in Europa wel te vinden, maar honderden miljoenen euro’s krijgen ze slechts met grote moeite bij elkaar. Ondernemers wijken daarom niet zelden uit naar de Verenigde Staten, waar durfkapitaal meer durft.
Een politiek die keuzes maakt en koers houdt — of niet — is iets waar ik zelf ervaring mee heb.
Weer een fonds?
De inzichten die Huijben in ESB samenvat, zijn niet nieuw. Twee jaar geleden schreef ik in deze nieuwsbrief over een rapport van de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) van weer een jaar eerder, waarin de Nederlandse poldertraditie als reden werd gegeven dat ons land omwentelingen uit de weg gaat.
Wanneer je (koepels en overlegstructuren van) gevestigde belangen vraagt om oplossingen te bedenken voor nieuwe problemen, krijg je volgens de AWTI geen nieuwe ideeën maar incrementele verbeteringen:
Logischerwijs bedenken de gevestigde deelnemers aan de topsectoren vooral technologische deeloplossingen die passen bij hun kennis en vaardigheden, ook omdat het beleid de missies uiteenrafelt tot deelproblemen zonder goed oog voor de samenhang. De stap-voor-stap-verbeteringen zijn goed te begrijpen vanuit de private logica en leveren goede kennis en innovaties, maar kunnen ook op langere termijn de padafhankelijkheid vergroten.
De rondetafel kwam met een innovatiefonds voor wetenschappers op de proppen. Met een budget van 100 tot 200 miljoen euro per jaar, uitgekeerd in kleine bedragen, zonder uitgebreide businessplannen te eisen en uitdrukkelijk ruimte te geven om te falen.
‘Als één op de tien ideeën aanslaat, of zelfs maar één op de honderd, kan dat al een aanzienlijke opbrengst voor de samenleving betekenen,’ schrijft Huijben.
Maar hij weet ook dat dit geen baanbrekende suggestie is:
Het Innovatieplatform van Balkenende II in 2003, het topsectorenbeleid van Rutte I in 2011, het Nationaal Groeifonds en Invest-NL onder Rutte III, en nu het aangekondigde Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie. Telkens wordt opnieuw geprobeerd de Nederlandse kennis beter te verzilveren, en telkens stelt de volgende coalitie met de oprichting van een nieuw vehikel vast dat de vorige daar niet in geslaagd is.
Waarom zou dít fonds dan wel het verschil gaan maken?
In Europa overheerst behoudzucht
Om positief te beginnen: publiek geld is nodig om de voedseltransitie aan te jagen. Bij uitstek in Europa, waar de behoudzucht overheerst.
Wereldwijd investeren grote banken 32 keer meer in de vee-industrie dan in alternatieve eiwitten. De Europese Unie gaf tussen 2014 en 2020 maar liefst 1.200 keer meer subsidie aan de productie, innovatie en promotie van dierlijke producten dan aan plantaardige en technologische alternatieven. Nederland besteedt jaarlijks 80 procent van de Europese landbouwsubsidies aan de veehouderij terwijl maar 60 procent van de landbouwbedrijven in ons land vee houdt.
Daarentegen steekt het Nationaal Groeifonds 80 miljoen euro in de opschaling van kweekvlees en 43 miljoen euro in nieuwe veredelingstechnieken. Invest-NL investeert in Mosa Meat, makers van kweekvlees, en The Protein Brewery, een bedrijf dat met schimmels eiwitten fermenteert die dierlijke eiwitten kunnen vervangen in bijvoorbeeld gebak en room.
Deze Nederlandse bedrijven stuiten elders in Europa op weerstand. Zuivelvervangers mogen van de Europese wet geen ‘boter’, ‘kaas’ of ‘yoghurt’ worden genoemd. Een voorstel om ook termen als ‘karbonade’, ‘steak’ en ‘vleugel’ te beperken tot vlees van geslachte dieren won in juni een meerderheid in het Europees Parlement. (Plantaardige vleesvervangers en kweekvlees zouden nog wel als ‘burger’ of ‘worst’ mogen worden verkocht.) De lidstaten moeten hier in de Europese Raad nog akkoord op geven, maar er lijkt zich geen blokkerende minderheid te vormen. De meeste regeringen branden hun vingers er liever niet aan.
Vlees en veehouderij liggen politiek zo gevoelig dat de Europese Commissie in een nieuwe ‘Livestock Strategy’ zelfs expliciet aangeeft dat ‘krimp’ geen doel is. Terwijl het in een gelijktijdig uitgebracht ‘Protein Action Plan’ opmerkt dat EU-landen vooral plantaardige eiwitten importeren, omdat onze akker- en tuinbouw meer gewassen telen voor veevoer dan voor humane consumptie. Waardoor we een overschot eieren, vlees en zuivel kunnen exporteren.
Groen is poen: de eiwittransitie
Door meer planten en minder dieren te eten, zijn we niet alleen beter opgewassen tegen (handels)conflicten; het levert ons winst op. Nederland zou er volgens een berekening van Wageningen Economic Research 10 miljard euro per jaar op vooruit gaan. 2 miljard euro door lagere zorgkosten, want overconsumptie van (vooral rood) vlees leidt tot meer diabetes en meer hart- en vaatziekten. 8 miljard euro door minder milieuschade. Dat zijn de kosten van bodem-, lucht- en watervervuiling veroorzaakt door de uitstoot van met name ammoniak. (Vergelijkbare onderzoeken in andere landen laten vergelijkbare cijfers zien.)
En — voor mij persoonlijk niet onbelangrijk — minder dieren eten is natuurlijk altijd beter voor de dieren. De welzijnsproblemen in de intensieve veehouderij komen voort uit de drang om zo snel mogelijk zo veel mogelijk te produceren tegen zo laag mogelijke kosten. Van ‘plofkippen’ (nog steeds ongeveer de helft van de vleeskuikens in Nederland) die zo snel groeien dat ze binnen 5 tot 6 weken slachtrijp zijn maar dan kunnen bezwijken onder hun eigen gewicht tot kalfjes die opgroeien zonder moeder en varkens die nooit buiten komen.
Maar je hoeft geen groot hart te hebben voor dieren om innovaties in biotechnologie, (glas)tuinbouw en veredeling een warm hart toe te dragen. De wereldbevolking groeit de komende 25 jaar naar verwachting met 2 miljard mensen. In vooral Azië neemt de vraag naar vlees en zuivel (enorm) toe. De Aarde is te klein om 10 miljard mensen te voeden volgens een Westers dieet. Vanwege de uitstoot van verzurende gassen, zoals ammoniak, en broeikasgassen, zoals methaan, maar ook vanwege de hoeveelheden land en water die nodig zijn om zoveel vlees en zuivel te produceren.
Om één kilo rundvlees bij de slager of in de supermarkt ter krijgen, is wereldwijd 8,8 tot 31,6 vierkante meter land nodig. Voor één kilo kweekvlees is dat gemiddeld 1,8 vierkante meter. Voor dezelfde kilo rundvlees is wereldwijd gemiddeld 15.000 liter water nodig (in Nederland minder dan de helft). Voor een kilo peulvruchten is dat 4.000 liter, voor een kilo kweekvlees 3.100 liter. Zelfs als wij in Europa en Noord-Amerika evenveel vlees en zuivel blijven consumeren (wat ik niet aanbeveel) heeft de rest van de wereld baat bij efficiëntere voedselsystemen.
Die kunnen wij in Nederland uitvinden. Sterker, die hebben we in Nederland uitgevonden. We hebben ook nog het wereldwijd meest toonaangevende onderwijs- en kenniscluster in agrifood in huis. En onze verwerkende ketens behoren tot de wereldtop door hoge toegevoegde waardes te realiseren met de hoogste standaarden voor diergezondheid en voedselveiligheid. Laten we de technologische voorsprong en schaalvoordelen die we (nu nog) hebben — en het aanzien dat de Nederlandse land- en tuinbouw wereldwijd geniet — aanwenden om hier de voedselproductie van de toekomst te ontwerpen! Om eindproducten van hoge kwaliteit te kunnen verkopen, maar vooral ook uitgangsmaterialen, technologie, systemen en kennis, zodat de rest van de wereld zich óók op een duurzame manier kan voeden.
Lichtende voorbeelden
De glastuinbouw en plant- en zaadveredeling zijn voor mij lichtende voorbeelden.
De Nederlandse glastuinbouw beslaat minder dan 3.000 bedrijven die samen toch jaarlijks 1 procent van onze welvaart generen. Acht op de tien glazen kassen in de wereld zijn Nederlands. Biologische en natuurlijke gewasbeschermingsmiddelen en -methoden die hier zijn gepionierd, gaan de hele wereld over.
In de veredeling zijn zo’n 250 Nederlandse bedrijven actief. Toch is bijna 40 procent van de wereldhandel in zaden voor akker- en tuinbouw uit ons land afkomstig. Van de Amerikaanse import van zaden en andere uitgangsmaterialen, zoals bloembollen, kiemplantjes en pootgoed, komt zelfs 80 procent uit Nederland. Dat is nog eens concurrentiekracht!
Een aantal provincies ziet de kansen. In Brabant hebben provincie en provinciale investeerders de handen ineen geslagen om dé ‘scale-up plant’ voor plantaardige innovatie in Europa te worden. Daaronder verstaan ze nieuwe voedselproducten, maar bijvoorbeeld ook verpakkingsmaterialen gemaakt uit plantaardige reststromen om plastics te vervangen. In Bergen op Zoom zit Delta Agrifood Business: een innovatie- en expertisecentrum van bedrijfsleven en onderwijs op het gebied van plantaardig voedsel. Helmond kent de Food Tech Brainport dat zich richt op innovaties in voedselverwerking.
Zuid-Holland positioneert zich als ‘Protein Port’ voor met name alternatieve eiwitten. De eerste kweekvleesboerderij ter wereld, een initiatief van RespectFarms, is mede dankzij de provincie in Schipluiden tot stand gekomen. Maar ook Planet-B.io in Delft, een broedplaats voor bedrijven in de biotechnologie, krijgt geld van de provincie. Met Liberaal Groen, het duurzaamheidsnetwerk van de VVD, namen we hier in 2025 een kijkje. Lees mijn verslag van dat werkbezoek op de website van Liberaal Groen.
Wildgroei aan goede bedoelingen
Nieuwe ideeën zijn altijd welkom, en een fonds van 100 tot 200 miljoen euro kost de wereld niet. Maar ik geloof niet dat het de doorslag gaat geven. De grotere uitdaging lijkt mij de vele innovaties die al ‘marktrijp’ zijn concurrerend maken. Financiering vinden is één, marktaandeel veroveren is andere koek.
Wat betreft financiering, kunnen we leren van landen om ons heen. Bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) staan 158 subsidieregelingen open, allemaal met eigen voorwaarden en deadlines. Invest-NL, provinciale en regionale ontwikkelingsmaatschappijen — en banken, pensioen- en investeringsfondsen — hebben allemaal weer hun eigen aanvraagformulieren, voorkeuren en vereisten. Denemarken, Duitsland en Frankrijk maken het makkelijker, blijkt uit een vergelijkend onderzoek van PwC. Daar is één landelijk loket voor ondernemers die willen verduurzamen.
Ook bieden die landen cofinanciering van, of garanties op, leningen, waarmee ze het risico voor private investeerders verlagen. Als een scale-up failliet gaat, betaalt de overheid tot 90 procent van hun leningen af. Dat zet zoden aan de dijk. In Nederland biedt de Groeifaciliteit een vergelijkbare garantie van 50 procent, met een budget van 85 miljoen euro per jaar. Dat schiet niet op.
Buiten de boot
Van een andere orde is de innovatiebox, waarin bedrijven hun belasting over winst die voortkomt uit eigen R&D kunnen verlagen van 26 naar 9 procent. Dat levert dit jaar naar verwachting 2,9 miljard euro belastingvoordeel op. Maar volgens het FD strijken slechts tien bedrijven daar 2,8 miljard euro van op. ASML, DSM en Booking zijn met z’n drieën al goed voor 91 procent van het geld. Dan volgen NXP, Philips, KPN, Thales en Enza Zaden met ieder enkele miljoenen, in plaats van honderden miljoenen, euro’s belastingvoordeel.
Eén reden voor deze oververtegenwoordiging van grote bedrijven is dat je wel winst moet maken voordat je in aanmerking kunt komen voor een winstbelastingverlaging. Dat kan bij een start-up of scale-up jaren duren.
Ook moet je voor deelname aan de innovatiebox een ‘speur- en ontwikkelingsverklaring’ kunnen laten zien. Daar moet je weer eerder een beroep op de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk voor hebben gedaan. ASML en DSM hebben accountants en compliance officers in dienst om dit soort papierwerk te verzetten. Ondernemers willen ondernemen.
Ga je er toch een avond voor zitten, dan kom je er maar al te vaak achter dat regelingen zó zijn ingericht dat je net buiten de boot valt. Lees bijvoorbeeld Iedere boer telt van RVO uit 2025. De meest dierwaardige en duurzame boeren in Nederland kleuren te ver buiten de lijntjes van de gangbare veehouderij, waardoor ze niet alleen de eindstreep van een subsidie- of andere financieringsaanvraag niet halen, maar ook veel meer tijd moeten steken in hun vergunningaanvragen. Andere boeren kunnen die goeddeels van elkaar copy-pasten.
En dat is nog allemaal voordat ze kunnen gaan concurreren in een markt die niet per se zit te wachten op afwijkende producten die niet via de grote slachthuizen en zuivelfabrieken hun weg naar de supermarkt kunnen vinden, omdat ze niet als klokwerk worden aangeleverd of in de massa op kunnen gaan. Bij een dierwaardige boer zijn niet alle varkens op dezelfde dag vet genoeg voor de slacht. Boeren die hun kalfjes bij de koe laten zogen, moeten hun melk apart kunnen afzetten om de nodige meerprijs uit de markt te halen. Zij houden immers minder koemelk over voor mensen.
Hoe maak je een markt
Het is volgens de AWTI een misvatting dat grote uitdagingen vanzelf een markt vormen voor innovaties:
De realiteit is dat markten vaak ontbreken of onvoldoende ontwikkeld zijn. Het is daarmee onaantrekkelijk voor bedrijven en investeerders om in innovatie te investeren.
De truc is beleid zo in te richten dat innovatie niet alleen een kans krijgt, maar winstgevend kan worden. Dat vraagt in het begin om een steuntje in de rug, later risicodekking en eventueel een overheid die optreedt als launching customer, maar op de lange termijn het minder concurrerend maken van minder gewenste — want bijvoorbeeld dieronvriendelijke of vervuilende — producten en productiewijzen, zodat vergroening loont. Zonder die laatste stap blijven we innovatie eindeloos ‘stimuleren’.
Niet alles zelf in de hand
Dat brengt ons terug naar een politiek die keuzes maakt en koers houdt.
We hebben niet alles zelf in de hand. In Nederland kan sinds dit jaar — dankzij een motie in de Tweede Kamer van Tjeerd de Groot (D66) en Peter Valstar (VVD) uit 2022 — kweekvlees worden geproefd. Dankzij een motie van Wim Meulenkamp (VVD) en Laura Bromet (PRO) komen daar binnenkort proeverijen voor innovatieve fermentatie bij. Maar in Amerika, Australië, Israël en Singapore is kweekvlees al gewoon te koop. Wij wachten op de rest van Europa.
Weerstand van conservatieve lidstaten zoals Italië en Hongarije maakt markttoelating onzeker. Zelfs als de Europese voedsel- en warenautoriteit (EFSA) novel foods — zoals het gekweekte rundervet waar Mosa Meat een aanvraag voor heeft ingediend — goedkeurt, kan de Europese Commissie of een meerderheid van lidstaten het product van de markt weren. Geen wonder dat private investeerders uitwijken naar Amerika of Azië. Zelfs de liberale regering van Frankrijk en de linkse regering in Spanje zien kweekvlees als een ‘bedreiging’ van hun ‘traditionele’ boerencultuur.
Voor veredelaars heeft de EU beter nieuws. Drie jaar nadat de Europese Commissie voorstelde om eenvoudige gentechnieken toe te laten in plant- en zaadveredeling — een voorstel dat veel weghad van het standpunt dat VVD’er Jan Huitema in 2021 voor de liberale Renew-fractie opstelde — steunde de Europese Raad in april eindelijk deze hervormingen die Nederlandse veredelaars nodig hebben om concurrerend te blijvend met landen in Noord- en Zuid-Amerika en Azië. (In Liberaal Groen hebben we hier een informatieve paper over geschreven.)
De Nederlandse glastuinbouw past ‘groene’ gewasbescherming — natuurlijke vijanden om plagen te bestrijden, maar ook biostimulanten en micro-organismen die planten beschermen en versterken — al op grote schaal toe. Op 94 procent van het areaal glastuinbouw worden biologische bestrijders gebruikt. Een kwart van alle ingezette middelen is ‘groen’. Tussen 2020 en 2024 nam het totale gebruik van gewasbescherming in Nederland met 22 procent af.
Hier werkt de EU weer niet per se mee. Ondanks de ambitie voor toenmalig Eurocommissaris Frans Timmermans (PvdA) om het gebruik van chemische middelen tussen 2022 en 2030 te halveren — in 2023 ingetrokken — worden groene middelen nog even streng beoordeeld als chemische. Iedere tien jaar worden goedgekeurde middelen in de EU opnieuw gekeurd. Bedrijven zijn al snel vijf jaar bezig met het voorbereiden van zo’n aanvraag, omdat ze alle relevante wetenschappelijke kennis die in de tussentijd is opgegaan zelf moeten aanleveren. Amerika, Brazilië en Canada zijn minder veeleisend.
In 2025 steunde bijna de voltallige Tweede Kamer een motie van Caroline van der Plas (BBB) die vroeg om versnelde toelating en opschaling van groene gewasbeschermingsmiddelen. De Europese Commissie wil dat ook, onder meer door toezichthouders groene middelen sneller te laten keuren. Nu worden aanvragen op volgorde behandeld. De Commissie wil verder de periodieke herbeoordeling na tien jaar schrappen — voor álle laagrisico middelen, groen en chemisch.
Door deze, en meer, voorstellen samen te voegen in een ‘omnibus’ voor voedsel- en diervoederveiligheid, zet de Commissie het Europarlement en de lidstaten voor het blok: zeg ‘ja’ of ‘nee’ tegen alles of niets.
Wat we onszelf aandoen
Er is genoeg dat Nederland wel zelf in de hand heeft, en daarbij schieten we onszelf toch geregeld in de voet.
Nederland verstrekt weliswaar niet 1.200 keer meer subsidie aan vlees en zuivel dan aan vlees- en zuivelvervangers, maar tussen 2018 en 2021 wel 71 keer meer. Een poging van Anne-Marijke Podt (D66) om deze subsidiestromen gelijk te trekken, kon twee jaar geleden rekenen op steun van drie linkse partijen in de Tweede Kamer en Volt.
Nederland kiest er zelf voor om koemelk uit te zonderen van de verbruiksbelasting op non-alcoholische dranken. Nadat die belasting in 2024 werd verhoogd van 9 naar 26 cent per liter, nam de verkoop van plantaardige melkalternatieven met 7 procent af.
Het laatste kabinet-Rutte bereidde vijf opties voor om de verbruiksbelasting te vervangen door een suikerbelasting. Het kabinet-Schoof liet dit plan op de plank liggen. In drie van de vijf opties wordt koemelk weer uitgezonderd. Terwijl alleen de Finnen per hoofd van de bevolking meer zuivel consumeren dan wij.
In de EU wordt nagedacht over een manier om broeikasgasemissies in de land- en tuinbouw te beprijzen: een ‘Agri ETS’. De Nederlandse glastuinbouw heeft hier niet op gewacht en een eigen sectorsysteem opgetuigd. De ambitie is om in 2040 klimaatneutraal te telen, tien jaar voor de deadline van ‘Parijs’. Toch kiest ook dit kabinet ervoor om de glastuinbouw onder ETS-2 te brengen, waarmee het Europese emissiehandelssysteem wordt uitgebreid van de industrie naar producenten en leveranciers van brandstoffen.
(Tuinders wekken met warmtekrachtkoppelingen hun eigen CO₂, stroom en warmte op. Alledrie zijn nodig om planten in kassen te laten groeien. Warmtekrachtkoppelingen zijn dubbel zo efficiënt als elektriciteitscentrales die op aardgas stoken, maar ze maken tuinders ook ‘brandstofproducent’.)
Dat voelt als een trap na. Tuinders worden namelijk ook verplicht om ‘groen’ gas bij te stoken; (duurder) gas uit mestvergisters. Hiermee helpt de overheid veehouders om hun mestoverschotten weg te werken, maar zadelt het onze meest innovatieve agrarische sector op met een dubbele rekening.
In plaats van de glastuinbouw buiten ETS-2 te houden, wat Nederland mag en andere lidstaten doen, of uit te zonderen van de bijmengverplichting voor groen gas, wil het kabinet de sector ‘compenseren’. Dus eerst de rekening met beleid verhogen en vervolgens met belastinggeld verlagen.
De pijn verzachten
In het stikstofbeleid zien we iets vergelijkbaars. Dit kabinet heeft twee heldere keuzes gemaakt: bufferstroken rondom Natura 2000-gebieden en een hectarenorm voor koeien waar 82 procent van de melkveehouders al aan voldoet. Het zijn vooral intensieve bedrijven in Flevoland, rond de Veluwe en in Brabant die moeten inschikken; bedrijven die 62 procent van de Nederlanders sowieso liever ziet verdwijnen.
Driekwart ziet ook liever dat de overheid de ontwikkeling van alternatieven voor dierlijke producten subsidieert. Maar het kabinet trekt 20 miljard euro uit om de pijn voor veehouders te verzachten. Waarom steken we dat geld niet in biotechnologie? In cellulaire agricultuur? In plantaardige innovatie, zoals ze in Brabant doen?
Als we toch bezig zijn: Waarom schaffen we het belastingvoordeel voor koemelk niet af? En creëeren we in plaats van een bijmengverplichting voor groen gas geen bijmengverplichting voor duurzame melk? Iets waar de Tweede Kamer al in 2022 bij ruime meerderheid om vroeg.
Liever een akkoord dan keuzes maken
Volgens mij zijn er twee verklaringen. De eerste speelt net zo goed in andere democratische landen: verlies van het oude wordt eerder zichtbaar dan de opkomst van het nieuwe.
Innovatie leidt ertoe dat bedrijven en banen verdwijnen. Dat is voor de economie als geheel niet erg. Sterker, het is nodig om kapitaal, marktaandeel en personeel vrij te spelen voor concurrenten wél meekomen in de verandering en voor nieuwkomers. Maar dat kunnen we achteraf overzien. Wanneer die bedrijven failliet gaan, en kiezers hun banen verliezen, is het voor politici lastig om niets te doen.
Mijn tweede verklaring is typisch Nederlanders, en slaat terug op de samenspanning tussen bedrijfsleven en overheid waar ik deze nieuwsbrief mee begon: bestuurders en politiek zijn hier dol op polderakkoorden die gevestigde belangen een vetorecht geven. Bij uitstek in de land- en tuinbouw. Het (gefaalde) Landbouwakkoord, het Noordzeeakkoord, het Convenant Weidegang, het Convenant Stappen naar een dierwaardige veehouderij en ik vrees binnenkort het Convenant Gewasbescherming zijn voorbeelden van hoe dat gaat.
Logischerwijs bedenken de gevestigde deelnemers … vooral technologische deeloplossingen die passen bij hun kennis en vaardigheden, ook omdat het beleid de missies uiteenrafelt tot deelproblemen zonder goed oog voor de samenhang.
Eén of twee dierenwelzijns- of natuurorganisaties worden altijd wel bij een half alfabet aan sectorvertegenwoordigers gezet om akkoorden een zweem van maatschappelijk draagvlak te geven. Echter nooit de veeleisendste ngo’s, laat staan concurrerende nieuwkomers die nog niet in sectorverband zijn georganiseerd. Zo werden Vereniging Meten=Weten (die opkomt voor de belangen van omwonenden) en Pesticide Action Network Netherlands (PAN-NL) niet uitgenodigd om mee te praten over het Convenant Gewasbescherming.
Als een sectorpartij wegloopt, zoals LTO bij het Landbouwakkoord, komt er geen akkoord. Als zelfs meewerkende ngo’s een keer hun handtekening weigeren — LandschappenNL en Natuur & Milieu vonden het Convenant Gewasbescherming te slap — gaat het feest gewoon door. ‘De sector’ tekent mee. Het ministerie tekent mee. Zeg dan als Tweede Kamer nog maar eens ‘nee’.
Meer tijd en meer geld
Dat belangenbehartigers de belangen van hun leden behartigen, kan ik ze moeilijk kwalijk nemen. Dat bestuurders zo met gevestigde belangen meebuigen, is vanuit een historie van 400 jaar vriendjeskapitalisme verklaarbaar — maar nog niet verantwoord. Dat tenslotte een compensatieregeling of een fonds wordt bedacht om anderen te sussen, is ook een bekende zet maar lost het probleem niet op.
Zolang beslissingen in Nederland aan poldertafels worden genomen waar jij niet aan tafel zit en de belastingbetaler eindeloos kan worden aangesproken om ieder bedrijf iedere verandering te kunnen laten ‘meemaken,’ blijf jij met je innovatie tegen de stroom inroeien. Je komt er wel. Elke regeling en ieder fonds helpt toch een beetje. Het beleid is er ook weer niet op uit om je bewust en permanent te dwarsbomen. Het ministerie van Economische Zaken is vaak pragmatischer, de Tweede Kamer ongeduldiger. Wie de spelregels leert, mag vaak best snel meedoen. HollandBio is hier een goed voorbeeld van. Maar het duurt allemaal langer en het kost veel meer geld.


